RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige geheimhoudingskamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 20/8438 beslissing van 10 maart 2021 Beslissing als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur . 1Het verzoek 1.1. De inspecteur heeft, met dagtekening 6 november 2020, een verweerschrift ingediend, waarvan bijlage 16 is geschoond. De ongeschoonde versie (hierna: het geheimgehouden stuk) van de bijlage is door de inspecteur , eveneens bij brief van 6 november 2020 (hierna: de aanbiedingsbrief), verstrekt aan de geheimhoudingskamer van de rechtbank. In de aanbiedingsbrief heeft de inspecteur verzocht om de ongeschoonde versie van de bijlage geheim te houden op grond van artikel 8:29 van de Awb. De rechtbank heeft een afschrift van het verweerschrift, met de geschoonde bijlage, en van de aanbiedingsbrief aan de gemachtigde van belanghebbende verstrekt. 1.2. De gemachtigde van belanghebbende heeft, bij brief van 13 januari 2021, bij de rechtbank binnengekomen op 15 januari 2021, gereageerd op het verzoek van de inspecteur . Daarbij heeft de gemachtigde aangegeven niet in te stemmen met geheimhouding. 1.3. Het gedeeltelijk geheimgehouden stuk is een renseignement van [Datum] waarin aan de FIOD melding wordt gemaakt van mogelijke BTW-fraude door [Stichting] . In dit stuk heeft de inspecteur gegevens gelakt om ervoor te zorgen dat de identiteit van de fraudemelder niet bekend wordt bij belanghebbende. Het gaat om gegevens zoals de naam, het e-mailadres, de werkgever en het adres van de werkgever van de fraudemelder. De inspecteur wil een directe, ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de fraudemelder voorkomen. Volgens de inspecteur kan belanghebbende haar standpunt verdedigen zonder kennis te nemen van de gelakte passages. Hij wijst er daarbij op dat de inspecteur al vóór kennisname van de fraudemelding tot een boekenonderzoek had besloten en dat de gegevens uit de fraudemelding niet zijn gebruikt ter onderbouwing van de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag. Bovendien is het bezwaarschrift van belanghebbende (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard en komt de rechtbank in de hoofdzaak, indien dit standpunt wordt gevolgd, niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de zaak. 2Overwegingen Geen zitting 2.1. De geheimhoudingskamer heeft besloten een mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een behandeling ter zitting in dit geval naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet geschikt is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen. In wat belanghebbende heeft aangevoerd heeft de geheimhoudingskamer geen aanleiding gezien om wel een zitting te houden. De geheimhoudingskamer komt tot dit oordeel omdat niet (voldoende) duidelijk is gemaakt wat de toegevoegde waarde daarvan zou zijn gelet op het feit dat enerzijds tijdens zo een zitting de geschoonde gedeelten van het geheimgehouden stuk als zodanig niet besproken zouden kunnen worden en anderzijds belanghebbende zich voldoende op schrift heeft kunnen uitlaten over de door de inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding. Bovendien heeft de gemachtigde van belanghebbende, in zijn onder 1.2 bedoelde brief, niet verzocht om een zitting van de geheimhoudingskamer. Artikel 8:42 van de Awb 2.2. De inspecteur voert aan dat hij het geheimgehouden stuk niet heeft gebruikt bij het opleggen van de naheffingsaanslag. Mogelijk bedoelt de inspecteur hiermee dat het geheimgehouden stuk geen op de zaak betrekking hebbend stuk is als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb (hierna: 8:42-stuk). 2.3. De geheimhoudingskamer overweegt dat de beoordeling of een stuk is aan te merken als 8:42-stuk als uitgangspunt toebehoort aan de kamer die in de hoofdzaak beslist (hierna: de hoofdkamer). In het onderstaande zal de geheimhoudingskamer er dan ook veronderstellenderwijs vanuit gaan dat het geheimgehouden stuk een 8:42-stuk is. Dit dient ook de proceseconomie. Zou immers de geheimhoudingskamer oordelen dat geen sprake is van een 8:42-stuk en de hoofdkamer zou anders oordelen, dan zou opnieuw een geheimhoudingsprocedure moeten volgen. De hoofdkamer zal hierover een eindoordeel geven. Kader voor beoordeling artikel 8:29 van de Awb 2.4. De omstandigheid dat een stuk een 8:42-stuk is brengt niet automatisch mee dat dit stuk (volledig) aan de andere partij ter kennis moet worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of de rechtbank mede te delen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming). 2.5. Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om geheimhouding en het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming is als volgt: a. Geheimhouding: (delen van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.