RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/222319-20 vonnis van de meervoudige kamer van 11 maart 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] wonende te [adres 1] raadsman mr. M. Broere, advocaat te Roosendaal 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 februari 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Gudde, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan verboden wapenbezit en munitie, poging tot dwang en smaadschrift. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de drie feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte. Anders dan de verdediging, acht de officier van justitie ten aanzien van feit 2 de WhatsApp-berichten, in onderlinge samenhang bezien, wel bedreigend. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende vast is komen te staan dat verdachte gedreigd heeft met geweld. Er is geen sprake van afpersing, hoogstens afdreiging. Ten aanzien van feit 3 wist verdachte volgens de verdediging niet dat het bericht in strijd was met de waarheid. Op het moment dat hij dit wel wist, heeft hij het bericht aangepast. Verdachte dient van feit 3 te worden vrijgesproken. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs feit 1 Gelet op de bewijsmiddelen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een wapen van categorie III en munitie van categorie III voorhanden heeft gehad. feit 2 Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte WhatsApp-berichten heeft gestuurd naar [slachtoffer] over het betalen van bedragen aan hem. Volgens de verdediging hadden deze berichten betrekking op het door [slachtoffer] verschuldigde bedrag van € 500,-- na het verlaten van de club “ [naam] ” en een bedrag van € 375,-- aan verdachte in privé. De rechtbank stelt vast dat verdachte aan [slachtoffer] berichten heeft gestuurd dat hij geldbedragen moest betalen. Voorts dat na betaling, het bericht - waarin staat dat [slachtoffer] iemand verkracht heeft - en de foto van [slachtoffer] , van Facebook wordt afgehaald. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte daarmee geprobeerd [slachtoffer] met enige andere feitelijkheid te dwingen geld te betalen. Nu [slachtoffer] weerstand heeft geboden aan deze psychische druk, is het bij een poging gebleven. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot dwang. feit 3 Verdachte heeft een bericht over [slachtoffer] met een foto van [slachtoffer] op een Facebookpagina geplaatst. Een bericht op Facebook is openbaar en kan door iedereen worden bekeken. Door het plaatsen van het bericht op Facebook heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank het kennelijke doel gehad om ruchtbaarheid te geven aan de inhoud van het Facebookbericht. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de inhoud van het Facebookbericht zodanig krenkend is dat verdachte daarmee opzettelijk de goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand. Het verweer van de verdediging dat verdachte niet wist dat het bericht in strijd met de waarheid was, behoeft geen verdere bespreking, nu dit geen bestanddeel is van het ten laste gelegde feit smaadschrift. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 op 1 september 2020 te Roosendaal een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een centraalvuurpistool (type GT 28), kaliber 6,35 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en munitie van categorie III, te weten 5 kogelpatronen, kaliber 6,35 mm, voorhanden heeft gehad. feit 2 in de periode van 9 augustus 2020 tot en met 26 augustus 2020 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] door enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer] wederrechtelijk te dwingen iets te doen, te weten het overmaken/betalen van een geldbedrag, door voornoemde [slachtoffer] via whats-app te benaderen en daarbij die [slachtoffer] berichten te sturen inhoudende (onder meer) de navolgende teksten: 'Geen smoesjes betaal 375 euro dan haal ik het bericht van de facebookpagina af waarin staat dat jij iemand verkracht hebt en ook haal ik dan de foto er af', en 'Je moet ook de club 5000 euro betalen anders staat de frontline klaar om je te bezoeken', althans woorden van gelijke aard en strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. feit 3 op 13 augustus 2020 in Nederland opzettelijk de goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij met voormeld doel op een Facebookpaginaeen bericht geplaatst met de tekst:[slachtoffer] aka [alias] is OUT of [naam] !No contact!This guy is a convicted rapist. And he is a swindler of single mothers. He plays likehe is helping the single mothers with their problems, but in the meanwhile helets them pay serious money witch they can't afford. Then he threatens them withmotorcycle clubs.We have no place in [naam] for such guys.All brothers delete this guy from FacebookFor more info and official evidence you are welcome to contact us via privatemessage. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou de positieve ontwikkelingen van verdachte kunnen doorkruisen. De verdediging heeft een taakstraf bepleit. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen met vijf patronen in de patroonhouder. Vuurwapens worden gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en vormen een groot gevaar en een aanzienlijke bedreiging voor de samenleving. Het onbevoegd voorhanden hebben daarvan maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Daarnaast heeft verdachte berichten naar [slachtoffer] gestuurd dat hij een geldbedrag moest betalen en dat dan het bericht, waarin de goede naam van [slachtoffer] werd aangetast, van de Facebookpagina gehaald zou worden. [slachtoffer] heeft hieraan geen gehoorgegeven, waardoor het bij een poging tot dwang is gebleven. Door het plaatsen van het bericht met foto van [slachtoffer] , heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan smaadschrift. De uitlatingen over [slachtoffer] op de Facebookpagina zijn krenkend voor [slachtoffer] . Verdachte heeft daarmee opzettelijk de goede naam van [slachtoffer] aangerand. Het naderhand aanpassen van het Facebookbericht door verdachte doet daaraan niet af omdat het bericht al openbaar was gemaakt. [slachtoffer] heeft in zijn aangifte ook verklaard dat hij door het Facebookbericht vervelende berichten heeft ontvangen en dat ook zijn vrouw en dochter er op zijn aangesproken. Poging tot dwang en smaadschrift zijn ernstige feiten. Het gaat om misdrijven die in ernstige mate ingrijpen in het welbevinden en de privacy van het slachtoffer en daardoor negatieve gevolgen hebben voor diens persoonlijke vrijheid. De rechtbank heeft bij de strafbepaling rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze blijken uit het reclasseringsadvies van 10 november 2020 en zoals deze ter terechtzitting naar voren zijn gebracht. Uit het reclasseringsadvies blijkt dat sprake is van een beginnend delictpatroon van geweldsdelicten. Aan de andere kant blijkt dat verdachte gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis zelfstandig begeleiding heeft gezocht om de problemen op diverse leefgebieden aan te pakken om zijn leven weer op de rit te krijgen. De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, nu verdachte, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding die voor die strafoplegging is gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten en dan met name het verboden wapenbezit, en rekening houdend met de straffen die voor soortgelijke delicten worden opgelegd, het opleggen van een gevangenisstraf noodzakelijk is. De rechtbank ziet in de genoemde persoonlijke omstandigheden echter aanleiding om af te wijken van de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 152 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en daarnaast een taakstraf van 120 uur passend en geboden is. Met het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. 7De benadeelde partij De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 14.500,-- voor de feiten 2 en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.