← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2021:1161

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/92 BRP V uitspraak van 12 maart 2021 van de enkelvoudige kamer op het verzet van [opposante] , te [plaatsnaam] , opposante, Procesverloop Opposante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 24 december 2019 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (verweerder) waarin haar bezwaar tegen het opleggen van een bestuurlijke boete niet-ontvankelijk is verklaard. Bij uitspraak van 6 november 2020 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft daarvoor ook geen aanleiding gezien, zodat een zitting achterwege is gebleven. Overwegingen

  1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat het griffierecht niet is betaald.
  2. In deze verzetzaak dient uitsluitend te worden beoordeeld of de rechtbank in de uitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden kan de rechtbank in deze zaak alleen toekomen als het verzet gegrond is.
  3. Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat zij meerdere keren heeft aangegeven het griffierecht niet in één keer te kunnen betalen.
  4. De verzetrechter stelt vast dat opposante bij brieven van 2 juli 2020 en 16 juli 2020 heeft aangegeven het griffierecht niet in één keer te kunnen betalen en heeft verzocht om een betalingsregeling. De verzetrechter stelt verder vast dat de rechtbank deze verzoeken bij brief van 8 oktober 2020 heeft afgewezen, omdat een betalingsregeling niet mogelijk is. De rechtbank heeft in de uitspraak van 6 november 2020 overwogen dat opposante het griffierecht niet heeft betaald en dat zij inmiddels 10 maanden de tijd heeft gehad om zelf het griffierecht opzij te leggen en te voldoen. De verzetrechter is van oordeel dat de rechtbank met de brief van 8 oktober 2020 op de verzoeken van opposante heeft gereageerd. Opposante is bij die brief een laatste termijn van vier weken geboden om het verschuldigde griffierecht te voldoen. Opposante is er in deze brief ook op gewezen dat zij bij niet tijdige betaling het risico loopt dat het beroepschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard. Verder is opposante er in deze brief nogmaals op gewezen dat een betalingsregeling niet mogelijk is, en dat zij niet voldoet aan de eisen voor kwijtschelding van het griffierecht.
  5. Opposante heeft op 30 oktober 2020 haar verzoek om een betalingsregeling herhaald en ook in verzet herhaalt opposante enkel haar eerdere verzoeken. In wat opposante heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 6 november
  6. Hierin is terecht opgenomen dat een betalingsregeling niet mogelijk is en opposante de tijd heeft gehad, namelijk 10 maanden, om zelf het bedrag bij elkaar te sparen. Dat opposante dit heeft nagelaten, komt voor haar rekening en risico. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft.
  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 12 maart 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.