RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 21/750 GEMWT VV uitspraak van 15 maart 2021 van de voorzieningenrechter op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen [naam verzoekster], te [vestigingsplaats verzoekster], verzoekster, gemachtigde: mr. T.D. Rijs, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder, gemachtigden: mr. dr. T.N. Sanders en mr. M. Buitenhuis. Procesverloop Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 2 februari 2021 (bestreden besluit 1) van het college inzake het opleggen van een last onder bestuursdwang en dwangsom. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, omdat de gestelde begunstigingstermijn volgens haar te kort is om aan de lastgeving te kunnen voldoen. Het college heeft verzoekster in bestreden besluit 1 een begunstigingstermijn gegeven tot en met 15 februari
- Op verzoek van verzoekster heeft het college bij besluit van 11 februari 2021 (bestreden besluit 2) de gestelde begunstigingstermijn verlengd tot 1 maart
- Het college heeft naar aanleiding van het ingediende verzoek om voorlopige voorziening bericht dat de begunstigingstermijn verder is verlengd tot twee weken na de datum van de uitspraak van de voorzieningenrechter. Het verzoek om voorlopige voorziening is op zitting behandeld van 5 maart
- Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. M. Buitenhuis en S. Gangabisoensingh. Ter zitting is met partijen overeengekomen dat de begunstigingstermijn verder wordt verlengd tot 1 april
- Daarop heeft de voorzieningenrechter het onderzoek ter zitting geschorst en het college verzocht om dit nog schriftelijk te bevestigen. In de schriftelijke bevestiging van het college van 8 maart 2021 is toegelicht dat het de gestelde begunstigingstermijn voldoende acht om de opgelegde werkzaamheden uit te voeren, maar dat het vanwege pragmatische redenen bereid is om de begunstigingstermijn verder te verlengen tot 1 april
- Vervolgens heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft op 10 maart 2021 op het verzoek om proceskostenveroordeling gereageerd. De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten. Overwegingen
- Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in samenhang bezien met artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
- Het college heeft in zijn schriftelijke reactie op het verzoek om proceskostenveroordeling nogmaals toegelicht dat het bij zijn standpunt blijft dat het voor verzoekster mogelijk was om binnen de gestelde begunstigingstermijn aan de opgelegde lastgeving te voldoen, en dat het alleen uit pragmatische overwegingen de termijn verder heeft verlengd. Gelet daarop is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen door het college aan verzoekster geen sprake. Daaruit volgt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor vergoeding van gemaakte proceskosten. Het verzoek daartoe zal dan ook worden afgewezen. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 15 maart 2021, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak mede te ondertekenen. voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.