RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-001018-19 vonnis van de meervoudige kamer van 19 maart 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] wonende te [adres] raadsvrouw mr. R.M. van Breemen, advocaat te Raamsdonksveer 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 maart 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Gaillard, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een ontploffing teweeg heeft gebracht door zwaar professioneel vuurwerk af te steken met letsel en schade tot gevolg en dat hij professioneel vuurwerk voorhanden heeft gehad. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem tenlastegelegde heeft gepleegd en baseert zich daarbij met name op de bekennende verklaring van verdachte, de verklaringen van aangevers, de bevindingen van de politie en een explosievenonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van feit 1, omdat daarvoor dubbel opzet is vereist: het opzet van verdachte moet gericht zijn geweest op de ontploffing en tevens op het teweegbrengen van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gevaar voor goederen. Omdat verdachte geen opzet heeft gehad op het toebrengen van enig lichamelijk letsel noch op het vernielen van goederen moet hij worden vrijgesproken. Feit 2 kan naar de opvatting van de verdediging wel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Feit 1 De rechtbank is op grond van de hierna in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een shell/mortierbom aan te steken. Betoogd is dat het opzet van verdachte niet gericht was op de gevolgen van de ontploffing. Het opzet in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) behoeft echter slechts gericht te zijn op het teweegbrengen van een ontploffing. De omstandigheid dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of gemeen gevaar voor goederen te duchten is door de ontploffing, is onttrokken aan het opzetvereiste. Het is niet van belang dat de dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien. Voldoende is dat het bedoelde gevaar naar objectieve maatstaven aanwezig is en in het algemeen voorzienbaar is op het moment dat de gedraging wordt verricht. Verdachte heeft in dit geval opzettelijk een shell/mortierbom midden op straat in een woonwijk aangestoken. Zowel op straat als in meerdere aan die straat gelegen woningen waren personen aanwezig. Er stonden ook diverse voertuigen geparkeerd in de directe nabijheid van de plaats waar de mortierbom door verdachte tot ontploffing is gebracht. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij wist dat een mortierbom gevaarlijk en - voor particuliere gebruikers - illegaal vuurwerk was. Door dergelijk zwaar vuurwerk te ontsteken midden in een woonwijk in de directe nabijheid van personen en goederen was genoemd gevaar naar algemene ervaringsregels te voorzien, zodat feit 1 wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden. Feit 2 Gelet op de bekennende verklaring van verdachte en het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat verdachte (na de ontploffing) over nog acht shells/mortierbommen beschikte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in totaal negen shells/mortierbommen voorhanden heeft gehad. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 op 31 december 2018 te Breda op de openbare weg te weten Arenberglaan, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door opzettelijk een zogenaamde shell/mortierbom (categorie 3) in een lanceerbuis met statief in te brengen en vervolgens de lont van die shell/mortierbom aan te steken, waarna deze shell/mortierbom in of buiten die lanceerbuis tot ontploffing is gekomen, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te weten zich in de (directe) nabijheid bevindende- (buurt/straat)bewoners en/of andere omstanders te duchten was en dit feit - lichamelijk letsel, te weten een gekneusde lever en een gekneusde bovenbuik met bloeduitstorting voor [naam 1] en verbrandingsletsel in de hals van [naam 2] ten gevolge heeft gehad en terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen ontstond en/of te duchten was, te weten voor zich in de (directe) nabijheid bevindende woningen en voertuigen (onder andere) - de woning (aan de Arenberglaan [huisnummer] ) en een personenauto (merk Peugeot met kenteken [kenteken 1] ) van [naam 3] en - een personenauto (merk BMW kenteken [kenteken 2] ) van [naam 4] en - de woning (aan de Arenberglaan [huisnummer] ) van [naam 5] en - een personenauto (merk Vw type Polo met kenteken [kenteken 3] ) van [naam 6] ; feit 2 op 31 december 2018 te Breda, opzettelijk, als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, professioneel vuurwerk, te weten 9 stuks Shells/Mortierbommen voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 9 dagen, met aftrek van het voorarrest en een taakstraf van 240 uren. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de strafmaat is aangevoerd dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit. Verder is gesteld dat verdachte veel spijt heeft van zijn handelen. Hij heeft contact gehad met de personen die schade hebben ondervonden van zijn handelen en de schade is door verdachte ook nagenoeg geheel vergoed. Verzocht is te volstaan met een taakstraf van 120 uur, ook indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring zou komen van feit 1 omdat dan sprake is van de meest lichte opzetvariant. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Wat een gezellige oudjaarsavond 2018 had moeten worden is uitgemond in een avond van schrik, angst, lichamelijk letsel bij twee jonge kinderen en veel schade. Eén van de twee kinderen moest vanwege ernstige verwondingen worden opgenomen en behandeld in het ziekenhuis. Meerdere auto’s hebben (forse) schade opgelopen en diverse ruiten van woningen zijn gesneuveld. Midden in een woonwijk heeft verdachte een zware mortierbom afgestoken met (onbedoeld) een enorme explosie als gevolg. In de auto van een vriend had verdachte nog acht mortierbommen liggen. Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) blijkt dat voor het afsteken van dergelijk professioneel vuurwerk specialistische kennis is vereist. Schokkend om te lezen vindt de rechtbank de conclusie van het NFI dat de veiligheidsafstand tot het publiek minimaal 265 meter moet bedragen wanneer dit soort mortierbommen bij een evenement worden afgestoken. Verdachte heeft een dergelijke mortierbom afgestoken midden op straat in een dichtbevolkte woonwijk met diverse personen en auto’s in de directe nabijheid. Het had dan ook vele malen erger kunnen aflopen. Verdachte wist dat hij zwaar, illegaal vuurwerk afstak en was zich bewust van de daaraan verbonden risico’s. Desalniettemin heeft hij een mortierbom in de geschetste omstandigheden tot ontploffing gebracht. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Bij de bepaling van de soort en de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de volgende omstandigheden. Over verdachte is een reclasseringsrapport uitgebracht. De reclassering adviseert om verdachte bij een veroordeling een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Interventies en toezicht zijn niet nodig. Uit het rapport blijkt verder dat verdachte zich erg geschrokken en ontdaan toonde door het voorval. Ook de rechtbank is ter zitting gebleken dat verdachte schuldbewust is. Meteen na de explosie heeft hij zich bekommerd om de slachtoffers en de door hem veroorzaakte schade heeft hij vergoed, voor zover deze bij hem bekend was. De rechtbank vindt het positief dat verdachte zelf de publiciteit heeft opgezocht en heeft meegewerkt aan een interview voor de krant om te waarschuwen voor de vreselijke gevolgen die (illegaal) vuurwerk kan hebben. De rechtbank stelt vast dat verdachte volledig de verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. De rechtbank heeft de indruk dat er bij verdachte sprake is van oprecht berouw. Gelet op de positieve houding van verdachte, die zijn leven op orde heeft, is de rechtbank van oordeel dat een gedeeltelijk voorwaardelijke straf en/of reclasseringstoezicht niet nodig is Hoewel de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zouden kunnen rechtvaardigen, acht de rechtbank – alles afwegend - het opleggen van een werkstraf van maximale duur passend en geboden. 7De benadeelde partij De benadeelde partij [naam 6] vordert een materiële schadevergoeding van € 892,03 en de benadeelde partij [naam 4] vordert een materiële schadevergoeding van € 1.397,55, beiden voor feit 1. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partijen en dat hij verplicht is hun schade te vergoeden. De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is door beide benadeelde partijen voldoende aannemelijk gemaakt en verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de schade wil vergoeden. De rechtbank zal daarom beide vorderingen toewijzen. De rechtbank zal de wettelijke rente over het gedeelte van de materiële schade van benadeelde partij [naam 6] dat ziet op de herstelkosten van de auto toewijzen vanaf 31 december 2018, omdat de schade op die datum is ontstaan. De wettelijke rente over de taxatiekosten zal worden toegewezen vanaf 25 april 2019, omdat uit de onderbouwende stukken blijkt dat op die datum dat bedrag is voldaan. Omdat door benadeelde partij [naam 4] niet is onderbouwd vanaf welke datum de schade is ontstaan, zal de rechtbank de wettelijke rente over het bedrag van € 1.397,55 toewijzen vanaf de datum van indiening van de vordering, te weten 3 mei 2019. Met betrekking tot de toegekende vorderingen van de benadeelde partijen zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer en artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 9De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: feit 1: opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is; feit 2: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer, opzettelijk begaan; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren; - beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van 2 uur per dag; Benadeelde partijen - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 6] van € 892,03 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend over een bedrag van € 817,03 vanaf 31 december 2018 en over een bedrag van € 75,- vanaf 25 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; - veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 4] van € 1.397,55 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 3 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; - veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; Schadevergoedingsmaatregel - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen; - bepaalt dat bij niet betaling het daarbij vermelde aantal dagen gijzeling kan worden toegepast: - benadeelde partij [naam 6] (feit 1), € 892,03, 17 dagen gijzeling, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend over een bedrag van € 817,03 vanaf 31 december 2018 en over een bedrag van € 75,- vanaf 25 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; - benadeelde partij [naam 4] (feit 1), € 1.397,55, 23 dagen gijzeling, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 3 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd. Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, voorzitter, mr. S.W.M. Speekenbrink en mr. D.L.J. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van F.W.P.M. van den Goorbergh, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 maart 2021. De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. 10Bijlage I De tenlastelegging Feit 1 hij op of omstreeks 31 december 2018 te Breda op of aan de openbare weg te weten Arenberglaan, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door opzettelijk een zogenaamde shell/mortierbom (categorie 3) in een lanceerbuis met statief in elk geval (illegaal) (zeer zwaar) professioneel vuurwerk (verkeerd om/op de kop/ondersteboven/op onjuiste wijze) (deels) in die lanceerbuis in te brengen, dan wel (deels) in die lanceerbuis te laten zakken en/of (aan) te duwen en/of vervolgens de lont van die shell/mortierbom in elk geval dat (illegale) (zeer zware) vuurwerk aan te steken, waarna deze shell/mortierbom in elk geval dat illegale (zeer zware) vuurwerk in en/of buiten die lanceerbuis tot ontploffing is/zijn gekomen, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer anderen, te weten één of meer -zich in de (directe) nabijheid bevindende- (buurt/straat)bewoners en/of (een) (andere) omstander(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.