RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 21/563 PW VV uitspraak van 2 april 2021 van de voorzieningenrechter op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen [naam verzoeker] , te [woonplaats verzoeker] , verzoeker, gemachtigde: mr. R. Wouters en Het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren, verweerder. Procesverloop Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 8 juli 2020 (bestreden besluit) van verweerder inzake de herziening, intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering. Hangende beroep heeft Orionis bij besluit van 20 januari 2021 een dwangbevel uitgevaardigd, waarbij verzoeker is meegedeeld dat hij binnen vijf dagen het nog openstaande terugvorderingsbedrag van € 70.994,13 aan Orionis dient te betalen. Verzoeker is meegedeeld dat het dwangbevel een executoriale titel oplevert, inhoudende dat Orionis zonder vonnis van een rechter beslag kan leggen op zijn inkomen of zijn bezittingen. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 4 februari 2021 heeft Orionis meegedeeld dat er niet tot executieverkoop van de woning en andere goederen van verzoeker zal worden overgegaan totdat de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan in de beroepszaak over de terugvordering (zaaknummer 20/8002 PW). Om te voorkomen dat er goederen worden vervreemd in afwachting van de behandeling van de beroepszaak, houdt Orionis het recht voor bewarend beslag te leggen. Vervolgens heeft verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, met het verzoek Orionis te veroordelen in de proceskosten. In reactie heeft Orionis meegedeeld geen aanleiding of noodzaak te zien voor een proceskostenveroordeling. De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten. Overwegingen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.