RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 19/2634 WABOA uitspraak van 7 april 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eisers] , te [plaatsnaam 1] , eisers, gemachtigde: mr. M.P. Wolf, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen, verweerder. Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam vergunninghoudster] , te [plaatsnaam 2] , vergunninghoudster, gemachtigde: mr. R.C. van Wamel. Procesverloop In een besluit van 10 januari 2019 (primaire besluit) heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van het voormalige bankgebouw aan de [adres 1] in [plaatsnaam 2] . In een besluit van 28 mei 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 28 oktober 2019. Eisers [naam eiser 1] en [naam eiser 2] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.M. van der Velden en mr. S.A. Keij. De derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] en haar gemachtigde. Na afloop van de zitting is het onderzoek gesloten. In een tussenuitspraak van 9 december 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zogeheten ‘bestuurlijke lus’ als bedoeld in artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegepast. Daarbij heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers aan de hand van het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan. In een besluit van 10 maart 2020 (gewijzigde bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers wederom ongegrond verklaard, onder aanvulling en aanpassing van de motivering en toevoeging van een voorschrift. Eisers hebben een schriftelijke zienswijze ingediend naar aanleiding van het gewijzigde bestreden besluit. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en op 24 februari 2021 is het onderzoek opnieuw gesloten. Overwegingen 1. Feiten In een besluit van 31 mei 2018 heeft de gemeenteraad van de gemeente Drimmelen (de raad) het bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan] ” vastgesteld. Dit bestemmingsplan voorziet in de bouw van 16 appartementen in een voormalig bankgebouw aan de [adres 1] in [plaatsnaam 2] . Eisers hebben tegen de vaststelling van het bestemmingsplan beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS). Eveneens hebben zij een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de AbRS. Op 29 juni 2018 heeft vergunninghoudster bij het college een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verbouwen van het voormalige bankgebouw tot 19 appartementen. In een uitspraak van 28 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4316) heeft de voorzieningenrechter van de AbRS het verzoek om voorlopige voorziening van eisers inzake het bestemmingsplan afgewezen. Als gevolg hiervan is het bestemmingsplan in werking getreden. In het primaire besluit van 10 januari 2019 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning aan vergunninghoudster verleend. Deze omgevingsvergunning ziet op de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’ en ‘het afwijken van het bestemmingsplan’. Eisers zijn eigenaar van een woning op het naastgelegen perceel aan de [adres 2] . Zij hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. In een uitspraak van 26 maart 2019 heeft de voorzieningenrechter het primaire besluit geschorst tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar (BRE 19/929 WABOA VV). Op 7 mei 2019 hebben eisers hun bezwaar nader toegelicht tijdens een hoorzitting bij de commissie voor de behandeling van bezwaarschriften (de commissie). Op 20 mei 2019 heeft de commissie het college geadviseerd om het bezwaar van eisers ongegrond te verklaren. Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering. Eisers hebben de voorzieningenrechter opnieuw verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 18 juli 2019 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen (BRE 19/2633 WABOA VV). In een uitspraak van 18 september 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3191) heeft de AbRS het beroep van eisers tegen de vaststelling van het bestemmingsplan gegrond verklaard en het besluit van de raad van 31 mei 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan vernietigd. In een besluit van 14 november 2019 heeft de raad het bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan] ” gewijzigd vastgesteld. Eisers hebben tegen de vaststelling van het gewijzigde bestemmingsplan beroep ingesteld bij de AbRS en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de AbRS. In een uitspraak van 18 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:477) heeft de voorzieningenrechter van de AbRS het verzoek om voorlopige voorziening van eisers inzake het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan afgewezen. Als gevolg hiervan is het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan in werking getreden. In het gewijzigde bestreden besluit van 10 maart 2020 heeft het college het bezwaar van eisers op basis van het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan wederom ongegrond verklaard, onder aanvulling en aanpassing van de motivering en toevoeging van een voorschrift, zoals hierna vermeld: “Het bouwplan past geheel binnen de regels van het op 18 februari 2020 in werking getreden bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan] ”. De bezwaren voor zover deze zien op strijdigheid met het bestemmingsplan (balkons buiten bouwvlak, bebouwingsdiepte hoofdgebouw vanaf de voorgevellijn, aantal woningen en het parkeren) zijn gerepareerd en kunnen geen grondslag meer bieden voor herroeping van de bestreden omgevingsvergunning. Omdat het bouwplan in zijn geheel past binnen de regels van het op 18 februari 2020 in werking getreden bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan] ” besluiten wij in heroverweging het besluit van 10 januari 2019 aan te passen in die zin dat het besluit om af te wijken van de regels van het bestemmingsplan voor het toevoegen van drie woningen wordt ingetrokken. Wel hebben wij besloten om alsnog het volgende voorschrift aan de vergunning te verbinden, teneinde te verzekeren dat aan het bepaalde in artikel 4.3.3 van de planregels wordt voldaan: De woningen waarop deze vergunning betrekking heeft, mogen niet in gebruik genomen worden, voordat de 31 parkeerplaatsen, zoals aangegeven op de (kadastrale situatie)tekening behorende bij de omgevingsvergunning van 10 januari 2019 met kenmerk (file-naam) [kenmerk] , gebruiksklaar gerealiseerd zijn. Deze parkeerplaatsen moeten vervolgens in stand gehouden worden. Ten aanzien van het bezwaar over de bodemverontreiniging is van schade of gevaar voor de gezondheid van de (toekomstige) gebruikers van het pand als gevolg van een zich op het perceel [adres 1] bevindende bodemverontreiniging geen sprake. Verwezen wordt naar hetgeen de commissie in haar advies ter zake heeft overwogen. In aanvulling hierop merken wij nog het volgende op. Uit een op 26 maart 2018 uitgevoerd Verkennend bodemonderzoek en een Aanvullend bodemonderzoek d.d. 8 mei 2019 is met betrekking tot (zowel het onbebouwde als het bebouwde deel van) het perceel [adres 1] gebleken dat geen sprake is bodemverontreiniging. Het vergunde bouwplan is alleen daarom al niet in strijd met artikel 2.4.1 van de bouwverordening (verbod op bouwen op verontreinigde bodem). Voor zover bezwaarmakers stellen dat sprake is van een ernstig geval van grondwaterverontreiniging wordt opgemerkt dat de bron van deze verontreiniging zich niet op het perceel [adres 1] bevindt, deze inmiddels gesaneerd is en er ook hierom geen schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de (toekomstige) gebruikers van het pand [adres 1] . Er is slechts sprake van een gebruiksbeperking van het grondwater. Een en ander wordt bevestigd in de brief van 15 november 2018 van de provincie Noord-Brabant (bevoegd gezag met betrekking tot de sanering van de betreffende grondwaterverontreiniging).” Op 1 december 2020 hebben eisers hun beroep tegen de vaststelling van het gewijzigde bestemmingsplan bij de AbRS ingetrokken. 2. Beroepsgronden Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat het college het gewijzigde bestreden besluit niet op het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan heeft mogen baseren, omdat er goede reden bestaat om aan te nemen dat het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan geen stand zal houden. Verder hebben eisers aangevoerd dat de in het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan opgenomen parkeerregeling (nog altijd) niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en dat sprake is van strijd met artikel 2.4.1 van de bouwverordening van de gemeente Drimmelen (de bouwverordening). 3. Wettelijk kader Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het, voor zover hier van belang, verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.