RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02-082966-20 Vonnis van de meervoudige kamer van 9 april 2021 in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1980, wonende te [adres] , raadsman mr. G.P. van Eijk, advocaat te ’s-Gravenhage. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 maart 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Gaillard-Beugeling, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor [slachtoffer 1] is overleden en aan [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht (primair), dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer heeft gehinderd (subsidiair), dan wel dat hij onvoldoende afstand heeft bewaard (meer subsidiair). 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht, bij gebreke aan disculperende omstandigheden, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden. Verdachte heeft gereden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse noodzakelijk was en heeft zijn voertuig niet (tijdig) tot stilstand gebracht voor de naderende file. Daarmee is sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). De heer [slachtoffer 1] is door dit verkeersongeval overleden en mevrouw [slachtoffer 2] heeft letsel opgelopen. De officier van justitie baseert zich daarbij op de getuigenverklaringen, het onderzoek van de politie naar het ongeval en het voertuig, de stukken met betrekking tot het overlijden van de heer [slachtoffer 1] , de medische gegevens van mevrouw [slachtoffer 2] en de foto’s van het ongeval. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat verdachte voor het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte de toegestane snelheid - of wellicht langzamer - reed, zag dat er een file ontstond en de auto probeerde af te remmen, maar dat hij geconfronteerd werd met niet werkende remmen. Er is niet komen vast te staan dat de verklaring van verdachte - dat er geen remdruk was en de rem niet functioneerde - niet zou kloppen. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat slechts het weigeren van de remmen ervoor heeft gezorgd dat verdachte zijn auto niet tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen. Er is sprake van absolute overmacht, omdat het voor verdachte volstrekt onmogelijk was om het strafbare feit niet te plegen. Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat verdachte weliswaar zijn snelheid niet dusdanig heeft kunnen regelen dat hij zijn voertuig op tijd tot stilstand heeft kunnen brengen, maar dat ook daarbij geldt dat sprake is van absolute overmacht. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. Daarnaast kan uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer gedragsregels in het verkeer niet reeds worden afgeleid dat sprake is van schuld. Ook een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft nog geen schuld op te leveren. Van schuld in de zin van dit wetsartikel is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 30 juni 2018 op de A4 bij Hoogerheide een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, dat door het rijgedrag van verdachte is veroorzaakt. Ten gevolge van een ander verkeersongeval dat kort daarvoor had plaatsgevonden werd het verkeer ter plaatse van twee rijstroken naar één rijstrook geleid, waardoor op beide rijstroken een aanzienlijke file met stilstaand verkeer en, in de staart van de file, langzaam rijdend verkeer was ontstaan. Uit verklaringen van getuigen, die vóór verdachte reden, blijkt dat zij stapvoets met de file meereden dan wel stilstonden. Zij zagen de auto waarin verdachte reed met hoge snelheid tussen de twee rijstroken door rijden. Verdachte heeft daarbij meerdere voertuigen geraakt. Nadat verdachte vervolgens tegen een vrachtauto botste, kwam hij tegen een Renault aan waarna de auto waarin verdachte reed kantelde. Ten gevolge van het ongeval is de heer [slachtoffer 1] , die naast verdachte in de auto zat, overleden. Mevrouw [slachtoffer 2] , bestuurder van de Renault, heeft door het ongeval lichamelijk letsel opgelopen, te weten een kneuzing van haar nek en borst. Uit onderzoek is gebleken dat verdachte vijf seconden voorafgaand aan de botsing met de vrachtauto met een indicatieve snelheid van 97,57 kilometer per uur reed, waarbij er geen snelheidsbeïnvloedende handelingen werden verricht. Het rempedaal werd op drie en een halve seconden en drie seconden voor deze botsing bediend, waardoor een snelheidsafname plaatsvond. Daarna zijn er geen registraties meer waaruit kan worden opgemaakt dat het rempedaal werd bediend. Tijdens of vlak voor de botsing reed verdachte nog met een indicatieve snelheid van 82,81 kilometer per uur. Verdachte heeft verklaard dat hij heeft gezien dat er verderop een file ontstond en dat hij op de rem heeft getrapt, maar dat dit geen effect had. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte, gelet op het onderzoek naar de werking van de remmen, niet aannemelijk. Uit dit onderzoek volgt immers dat het remsysteem intact was en werkte. Daarnaast komt deze verklaring niet overeen met het onderzoek waaruit is gebleken dat het rempedaal vanaf drie en een halve seconden tot drie seconden voorafgaand aan de botsing werd bediend, waardoor een snelheidsafname plaatsvond. De rechtbank concludeert op basis van de gebruikte bewijsmiddelen dat verdachte zijn snelheid onvoldoende heeft geminderd vanaf het moment dat hij had kunnen zien - en behoren te zien - dat vóór hem sprake was van stilstaand en langzaam rijdend verkeer. Vanaf dat moment was er nog in ruime mate de tijd om zijn snelheid aan te passen, zoals het overige verkeer ook klaarblijkelijk heeft kunnen doen. Vervolgens heeft verdachte de auto niet meer tot stilstand kunnen brengen. Nu hiervoor geen andere oorzaken zijn aan te wijzen houdt de rechtbank het ervoor dat verdachte zijn aandacht gedurende langere tijd niet op de weg heeft gehouden en daardoor niet heeft geanticipeerd op de verkeerssituatie ter plaatse. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden en dat het verkeersongeval dat daardoor is ontstaan aan zijn schuld te wijten is. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: primair: op 30 juni 2018 te Hoogerheide, gemeente Woensdrecht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de A4, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse noodzakelijk was en zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand te brengen waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer 1] , werd gedood en waardoor een ander, genaamd [slachtoffer 2] , zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert, op grond van bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde misdrijf (overtreding van artikel 6 WVW), aan verdachte op te leggen een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar, met een proeftijd van twee jaar. Zij heeft daarbij rekening gehouden met de ernstige gevolgen van het verkeersongeval, het feit dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld en een overschrijding van de redelijke termijn. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, geen straf of maatregel dient te worden opgelegd. De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de psychische gevolgen die het ongeval voor verdachte heeft gehad, het feit dat hij zijn betrokkenheid naar de nabestaande heeft getoond en het feit dat onderhavige zaak pas twee en een half jaar na de datum van het ongeval bij de rechtbank voorkomt. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt. Verdachte heeft zijn snelheid onvoldoende geminderd vanaf het moment dat hij de file had kunnen en behoren te zien. Ten gevolge van het verkeersongeval is de heer [slachtoffer 1] overleden. Daarnaast heeft mevrouw [slachtoffer 2] lichamelijk letsel opgelopen. Door zo te handelen heeft verdachte zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer miskend en heeft hij de veiligheid van andere verkeersdeelnemers in gevaar gebracht. Het spreekt voor zich dat door het overlijden van [slachtoffer 1] aan de nabestaanden onherstelbaar leed en verdriet is toegebracht. Een strafrechtelijke reactie, in welke vorm dan ook, kan dit niet ongedaan maken. Uit het dossier blijkt dat verdachte vanaf het begin heeft aangegeven dat hij graag contact wenst te hebben met de weduwe van [slachtoffer 1] . Hij heeft brieven geschreven - maar nog niet verzonden, in afwachting van de behoefte van de weduwe om die te ontvangen - om haar te laten weten hoe hij zich ten aanzien van het ongeval voelt en over welke onderwerpen hij en [slachtoffer 1] kort voor het ongeval hebben gesproken. Ter zitting heeft verdachte zijn spijt betuigd aan de nabestaanden en aan mevrouw [slachtoffer 2] , hetgeen de rechtbank oprecht overkwam. De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. De rechtbank neemt tot uitganspunt de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, zoals onder andere tot uitdrukking komend in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In het geval van “aanmerkelijke schuld” geldt als uitgangspunt voor de strafoplegging een taakstraf van 240 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar. De rechtbank ziet in deze zaak reden om in het voordeel van verdachte van de eis van de officier van justitie af te wijken. Daarbij spelen de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdsverloop van deze zaak een rol. Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf van 180 uren passend en geboden. Een al dan niet voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid acht de rechtbank niet meer nodig gelet op het tijdsverloop en het gegeven dat verdachte sinds het ongeval geen andere verkeersfeiten heeft begaan. 7De benadeelde partijen 7.1 De vorderingen van de benadeelde partijen De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een schadevergoeding van € 21.000,- in verband met materiële schade (reiskosten) en € 17.500,- in verband met immateriële schade (in de vorm van affectieschade). De overige benadeelde partijen - te weten [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] - vorderen allen een schadevergoeding van € 20.000,- in verband met immateriële schade (in de vorm van affectieschade). 7.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vorderingen niet onderbouwd zijn. 7.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht de vorderingen benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vorderingen niet onderbouwd zijn. 7.4 Het oordeel van de rechtbank De vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1] Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding van € 21.000,- is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering zouden kunnen leiden niet voldoende vaststaan, nu de schade onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding (affectieschade) van € 17.500,- overweegt de rechtbank als volgt. Sinds 1 januari 2019 is de Wet Affectieschade in werking getreden en is het voor nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om op grond van artikel 6:108, derde lid van het Burgerlijk Wetboek affectieschade te vorderen. Ten tijde van het overlijden van de heer [slachtoffer 1] voorzag het wettelijke stelsel niet in de mogelijkheid affectieschade te vorderen en de wetswijziging kent geen terugwerkende kracht. Gelet op het voorgaande zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Deze vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. De vorderingen benadeelde partijen [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding (affectieschade) van € 20.000,- verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor daaromtrent is overwogen. De benadeelde partijen zullen niet-ontvankelijk worden verklaard in de vorderingen. Deze vorderingen kunnen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 9De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het primair bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren; - beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen. Benadeelde partijen - verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; - verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; - verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; - verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; - verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 5] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; - verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 6] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. Goossens, voorzitter, mr. Van Kralingen en mr. Vliegenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Gielen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.