← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2021:1741

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/106278-19 vonnis van de meervoudige kamer van 31 maart 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1963 te [geboorteplaats] wonende te [adres] raadsvrouw mr. F.W.M. Hopmans, advocaat te Breda 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 maart 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Nieuwenhuis, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 januari 2009 tot en met 27 december 2017 een geldbedrag van € 35.000,- dat zij uit hoofde van een machtiging en/of notariële akte onder zich had, heeft verduisterd. 3De voorvragen 3.1 De geldigheid van de dagvaarding De dagvaarding is geldig. 3.2 De bevoegdheid van de rechtbank De rechtbank is bevoegd. 3.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie De officier van justitie vordert om het Openbaar Ministerie vanwege verjaring van de tenlastegelegde periode 1 januari 2009 tot 6 juni 2013 gedeeltelijk niet-ontvankelijk te verklaren. De verdediging verenigt zich met het standpunt van de officier van justitie. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat de officier van justitie voor een deel van de tenlastegelegde periode niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Op grond van artikel 321 Wetboek van Strafrecht wordt een dader als schuldig aan verduistering gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vijfde categorie. Op grond van artikel 70, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht vervalt door verjaring het recht op strafvervolging na zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. De verjaring kan worden gestuit door een daad van vervolging. In onderhavige zaak is de betekening van de dagvaarding aan verdachte de eerste formele daad van vervolging geweest. Concreet heeft de betekening op 6 juni 2019 plaatsgevonden. Dit betekent dat op die datum de verjaring van het recht tot strafvervolging van het tenlastegelegde feit is gestuit. Het recht op strafvervolging is verjaard voor wat betreft de periode die, teruggerekend vanaf het moment van stuiting, is gelegen méér dan zes jaar terug. Dat betekent dat sprake is van verjaring voor het deel van de tenlastelegging dat ziet op de periode vóór 6 juni

  1. De rechtbank zal daarom de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van het tenlastegelegde feit voor wat betreft de periode van 1 januari 2009 tot en met 5 juni
  2. 3.4 Schorsing van de vervolging Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie verzoekt om verdachte wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs vrij te spreken van het tenlastegelegde en baseert zich daarbij met name op de verklaring van aangeefster als getuige bij de rechter-commissaris. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit vrijspraak van het tenlastegelegde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat in de periode die resteert, te weten 6 juni 2013 tot en met 27 december 2017, door verdachte geen transacties zijn verricht die door justitie als opvallend zijn aangemerkt of waarvoor verdachte geen sluitende verklaring heeft gegeven. De rechtbank is van oordeel dat verdachte om die reden voor de resterende periode dient te worden vrijgesproken. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij, wanneer zij inhoudelijk had moeten oordelen over de gehele ten laste gelegde periode, verdachte integraal zou hebben vrijgesproken. Zij heeft niet de overtuiging dat verdachte wederrechtelijk handelde toen zij de gewraakte overschrijvingen en pinopnames deed. Bij dat oordeel kent de rechtbank veel gewicht toe aan de verklaring die aangeefster als getuige bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. 5De benadeelde partij De benadeelde partij [benadeelde partij] , althans haar rechtsopvolger(s) onder algemene titel, vordert een schadevergoeding van € 90.000,- voor het tenlastegelegde feit. Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. 6De beslissing De rechtbank: Voorvragen - verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor de tenlastegelegde periode 1 januari 2009 tot en met 5 juni 2013; - verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk; Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van het overige tenlastegelegde; Benadeelde partij - verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] , althans haar rechtsopvolger(s) onder algemene titel, niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; - veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij] , althans haar rechtsopvolger(s) onder algemene titel in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. Prenger, voorzitter, mr. Van Kralingen en mr. De Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Koster, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 31 maart
  3. 7Bijlage I De tenlastelegging zij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 27 december 2017 te Rijsbergen en/of Zundert en/of Etten-Leur, althans (telkens) in Nederland, opzettelijk, een of meer geldbedrag(en) (tot een totaalbedrag van (ongeveer) € 35.000,00 euro), althans enig(e) geldbedrag(en), (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) geldbedrag(en) verdachte (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had, te weten (telkens) uit hoofde van een machtiging en/of (notariële) volmacht (waaruit (telkens) bleek dat zij, verdachte, namens aangeefster bevoegd was om haar financiële zaken te behartigen en/of bankrekeningen te beheren en/of betalingen te doen en/of gelden te storten en/of op te nemen),wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. ( art 321 Wetboek van Strafrecht )

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.