RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/226134-19 vonnis van de meervoudige kamer van 15 april 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] wonende te [adres verdachte] raadsman mr. J.M.A. Loevendie, advocaat te Breda 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 april 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Simpelaar, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: geprobeerd heeft [naam 1] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen; feit 2: [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] heeft bedreigd door met pistool, dan wel met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op hen te richten en de trekker over te halen; feit 3: [naam 1] heeft mishandeld. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de drie feiten heeft begaan. Zij baseert zich daarbij op de volgende bewijsmiddelen. feit 3: de aangifte en de camerabeelden. De officier acht bewezen dat verdachte [naam 1] meermalen tegen het lichaam heeft gestompt. Een beroep op noodweer(exces), dan wel putatief noodweer komt verdachte niet toe. Verdachte heeft [naam 1] meerdere klappen gegeven. feit 1: de aangifte, de medische verklaring over het letsel van [naam 1] en de getuigenverklaring van [naam 2] . De officier van justitie acht de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewezen, door het slaan met een boksbeugel of een ander voorwerp en het trappen tegen de nek en de rug van [naam 1] . feit 2: de aangifte, het proces-verbaal van bevindingen van de wijkagent [verbalisant 1] en de verklaringen van de getuigen [naam 3] en [naam 4] . De officier van justitie acht bewezen dat verdachte [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] heeft bedreigd met een wapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Het overhalen van de trekker acht zij niet bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten 1 en 2 en voert daartoe het volgende aan. feit 1 Verdachte ontkent dat hij [naam 1] met een boksbeugel geslagen heeft. Gelet op de verwondingen bij [naam 1] passen deze volgens de verdediging eerder bij de val tegen de auto, mede gelet op de schade aan de auto, dan bij het slaan met een boksbeugel met pinnen. Dan zou het gezicht van [naam 1] er anders uit gezien hebben. feit 2 Verdachte ontkent dat hij gedreigd heeft met een wapen. Zijn broer werd aangevallen door personen die op het kamp aanwezig waren en verdachte probeerde de ruzie te sussen. Hij heeft met zijn telefoon in de hand geroepen dat de ruzie moest stoppen omdat hij anders de politie zou bellen. Zijn telefoon is ook een donker, klein voorwerp en er hoeft volgens de verdediging maar één persoon te roepen dat er een wapen is en dan is de aanwezigheid van dat wapen een feit. Er is onvoldoende overtuiging voor een bewezenverklaring. Verdachte dient van de feiten 1 en 2 te worden vrijgesproken. feit 3 De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring van dat feit kan komen, maar doet daarbij een beroep op noodweer(exces), dan wel putatief noodweer. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs feit 3 Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 6 september 2019 in Breda [naam 1] heeft mishandeld door hem meermalen met kracht tegen het gezicht en/of lichaam te stompen. De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweer(exces) dan wel putatief noodweer. Verdachte meende zijn broer [naam 5] te moeten verdedigen, nu hij [naam 1] een slaande beweging richting [naam 5] zag maken. Voor een succesvol beroep op noodweer is vereist dat sprake is van (dreiging met) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het (eigen of eens anders) lijf, eerbaarheid of goed. Voorts dient de wijze van verdediging noodzakelijk en geboden te zijn. Uit de op de ter terechtzitting getoonde camerabeelden blijkt dat [naam 1] de schouder van [naam 5] heeft aangeraakt. Als er al gesproken kan worden van enige aanranding, dan is deze dermate licht dat deze geen noodzaak gaf tot verdediging. Er is dus geen sprake van een noodweersituatie. Het beroep op noodweer(exces) of putatief noodweer wordt daarom verworpen. feit 1 Na het incident op de bruiloft (feit 3) is [naam 1] naar huis gegaan, waarna er nog een incident heeft plaatsgevonden en waarvan [naam 1] ook aangifte heeft gedaan. De rechtbank stelt vast dat over dat incident verschillend is verklaard. Verbalisant [verbalisant 2] werd op 7 september 2019, samen met verbalisant [verbalisant 3] , naar het ziekenhuis gestuurd, waar zij [naam 1] en zijn echtgenote, [naam 6] , troffen. [naam 6] vertelde [verbalisant 2] dat zij na het conflict op de bruiloft naar huis zijn gegaan. Toen zij thuis in de woonwagen was, was er buiten weer een conflict waar zij geen zicht op had. Na dat conflict was [naam 1] met een bebloed gezicht terug naar de woonwagen gelopen. [naam 6] gaf aan dat haar man door de buurman mogelijk met een mes of iets dergelijks in zijn gezicht zou zijn gestoken. [verbalisant 3] hoorde [naam 6] zeggen dat zij na thuiskomst direct de woonwagen in is gegaan. Haar man zou voor de woonwagen op het terrein van het kampje hebben gestaan samen met hun zoon. Vervolgens zou [naam 5] het terrein op zijn gekomen. Ze heeft niet gezien wat er buiten gebeurde en ook niets gehoord. Wel is ze op een gegeven moment gaan kijken en toen zag ze dat haar man een volledig bebloed gezicht had. Ze zag dat hij diverse sneeën in zijn voorhoofd had. Hierop is ze direct met hem naar het ziekenhuis gegaan. [verbalisant 3] hoorde [naam 1] zeggen dat hij thuis was gekomen en dat [naam 5] hem op het terrein had gestoken met een scherp voorwerp. Hij wist niet wat voor voorwerp. Hij zei dat [naam 5] hem had gestoken. Uit de anamnese van [arts 1] , arts assistent chirurgie, blijkt bij het onderzoek van [naam 1] : “In een ruzie met een glas of mes in het gezicht gesneden, weet niet precies wat er gebeurd is. Heeft snijwonden op het voorhoofd en het linker bovenste ooglid.” Uit de anamnese van [arts 2] , arts assistent chirurgie, blijkt bij onderzoek van [naam 1] : “In de nacht van 6 op 7 september met een boksbeugel in zijn aangezicht geslagen, daarna op de grond gevallen en meerdere trappen gehad. In ieder geval tegen zijn nek en linker hemithorax.” Wijkagent [verbalisant 1] trof [naam 1] op 8 september 2019 in zijn woonwagen aan en hoorde hem zeggen dat hij mishandeld was met een mes of een boksbeugel of iets dergelijks. In de aangifte verklaart [naam 1] dat hij na het bruiloftsfeest door zijn zoon [naam 2] daar is opgehaald en naar huis is gebracht. Op het kampje aangekomen zagen zij verdachte en diens broer [naam 5] uit een Mercedes springen en van het kampje weglopen. [naam 1] is samen met zijn zoon achter hen aangelopen. Zoon [naam 2] liep voor hem. Verdachte sprong toen achter een auto vandaan en gaf hem een klap met een boksbeugel, waardoor hij tegen een auto is gevallen. Daarna kreeg hij nog enkele trappen en voelde hij dat er tegen zijn nek getrapt werd. Verdachte liep toen richting [naam 2] . [naam 2] verklaart in zijn aangifte dat, toen zij op het kampje aankwamen, buurman [naam 5] aan kwam rijden. [naam 5] wilde met hem praten. Hoe ze gelopen zijn, weet [naam 2] niet meer, maar ineens zag hij dat [naam 5] een mes trok met zijn rechterhand. Toen zag hij dat verdachte achter een auto vandaan sprong en dat verdachte zijn vader van achteren sloeg met een boksbeugel met pinnen eraan. Hij zag zijn vader tegen een auto aan vallen en zag dat verdachte zijn vader meerdere klappen gaf met de boksbeugel en meerdere trappen met zijn voet. Ondertussen moest hij zelf zijn aandacht houden bij [naam 5] die met het mes stond te zwaaien, aldus [naam 2] . Verdachte heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat hij samen met [naam 5] van het bruiloftsfeest is vertrokken en dat [naam 5] hem eerst thuis heeft afgezet. Omdat hij het niet vertrouwde, is hij naar [naam 5] toe gereden en heeft zijn auto buiten het kampje geparkeerd. Toen zag hij [naam 5] voorbij rennen, met [naam 2] en [naam 1] erachteraan. Verdachte is daar achteraan gerend en wilde [naam 1] vastgrijpen om hem tegen te houden. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij denkt dat hij [naam 1] vast heeft gehad, van achteren bij de schouders, waardoor [naam 1] tegen een auto is gevallen. [naam 1] is daarbij vol tegen de auto ‘geklapt’. Daarna rende verdachte verder achter [naam 5] en [naam 2] aan. De rechtbank constateert dat de verklaringen en aangiften dusdanig van elkaar verschillen dat zij niet kan vaststellen wat er tijdens het incident is gebeurd. Dat [naam 1] ernstig letsel heeft opgelopen blijkt wel uit de medische informatie, maar daarin heeft [naam 1] zelf verschillende verklaringen gegeven over hoe het letsel ontstaan is. Doordat de verklaringen leemtes, onduidelijkheden en tegenstrijdigheden bevatten, kan de rechtbank niet met voldoende zekerheid vaststellen dat het is gegaan zoals in de tenlastelegging staat. Aangever verklaart wisselend over de wijze van ontstaan van het letsel; dit was door een mes of een boksbeugel dan wel glas. De vraag is of zoon [naam 2] een boksbeugel met pinnen heeft kunnen zien vanaf de plaats waar hij stond, terwijl hij [naam 5] met een mes van zich af probeerde te houden. Duidelijk is wel geworden dat aangever gevallen is en tegen een auto terecht is gekomen. Waardoor hij precies is gevallen en of hij letsel door die val heeft opgelopen is niet duidelijk geworden. De rechtbank ziet geen ondersteuning voor een van de verklaringen en kan niet vaststellen wat er gebeurd is waardoor het ernstige letsel bij aangever is ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat om die reden niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte dit feit begaan heeft en zal verdachte daarvan vrijspreken. feit 2 Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] heeft bedreigd door een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op hen te richten en de trekker over te halen. De verklaring van verdachte, dat hij tijdens een ruzie waarbij zijn broer [naam 5] werd aangevallen, zijn telefoon uit zijn zak getrokken heeft en geroepen heeft “stoppen, anders bel ik de politie”, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Immers, aangever [naam 2] , noch de getuigen [naam 3] en [naam 4] verklaren over een voorafgaande ruzie, waarbij [naam 5] zou zijn aangevallen en waardoor op dat moment reden zou zijn om de politie te gaan bellen. Verder blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] dat hij, nadat [naam 1] het ziekenhuis had verlaten, in overleg met de officier van dienst, geprobeerd heeft contact te leggen met [naam 5] om hem duidelijk te maken de eigen veiligheid in acht te nemen. In de politiesystemen zijn telefoonnummers gevonden van [naam 5] en verdachte. Omdat [naam 5] niet opnam, is het nummer van verdachte gebeld. [verbalisant 2] hoorde iemand opnemen met “ [achternaam] ”. Deze persoon wilde niet zijn volledige naam zeggen: hij trad op als woordvoerder van de familie [familie] . [verbalisant 2] vroeg of er medische hulp nodig was en gaf aan dat, gelet op bepaalde uitlatingen, zij hun veiligheid in acht moesten nemen. [verbalisant 2] hoorde de man aan de telefoon zeggen dat alles in orde was en dat het een storm in een glas water was. [verbalisant 2] werd nadrukkelijk verzocht om geen opvallende politieauto op het kamp te laten rijden. Op het einde van het gesprek gaf de man aan dat hij [naam 5] was. [verbalisant 2] hoorde op de achtergrond het gegrinnik van een andere man en hij achtte het niet uitgesloten dat degene die de telefoon aannam verdachte betrof, aangezien die gekoppeld was aan het telefoonnummer. Evenmin acht de rechtbank het door de verdediging ingenomen standpunt dat de telefoon van verdachte wellicht is aangezien voor een wapen geloofwaardig, nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat over het wapen en het slaan tegen het wapen gedetailleerd door meerderen wordt verklaard. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: feit 2 op 7 september 2019 te Breda, [naam 2] en [naam 3] en [naam 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een op een vuurwapen gelijkendvoorwerp op die [naam 1] en [naam 3] en [naam 4] -die op korte afstand van verdachte stonden- te richten en de trekker over te halen.feit 3op 6 september 2019 te Breda, [naam 1] heeft mishandeld door die [naam 1] meermalen met kracht tegen het gezicht en/of lichaam te stompen. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht bij de strafbepaling rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en geen gevangenisstraf op te leggen. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [naam 1] , door hem twee vuistslagen te geven. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de bedreiging van [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] door met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op hen te richten en daarbij de trekker over te halen. Hoewel er voorafgaand aan de bedreiging met het wapen die avond een eerder incident op een feest heeft plaatsgevonden, stond de keuze van verdachte om een wapen te gebruiken in geen enkele verhouding tot wat er daarvoor mogelijk was gezegd of gebeurd. Door zijn handelen heeft verdachte de gevoelens van onveiligheid die in de samenleving bestaan vergroot. De rechtbank is dan ook van oordeel dat met name de bedreiging met een wapen een ernstig feit is en rekent verdachte dit ten zeerste aan. Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende sanctie is. Daarbij is van belang dat een duidelijk en krachtig signaal wordt afgegeven, dat dergelijke incidenten met wapens niet worden geaccepteerd door de samenleving. De rechtbank heeft bij dit oordeel voorts gewicht toegekend aan de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, nu verdachte sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis in september 2019 niet meer met politie of justitie in aanraking is geweest. Gelet op deze langere periode acht de rechtbank het in dit geval niet opportuun nog een voorwaardelijke straf op te leggen. Alles afwegend, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden is. 7De benadeelde partij 7.1 De vordering De benadeelde partij [naam 1] vordert een schadevergoeding van € 19.931,72 voor de feiten 1 en 3, bestaande uit € 4.931,72 materiële schade en € 15.000,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij verzocht de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toe te wijzen. 7.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat de vergoeding voor de kleding dient te worden gematigd tot € 100,00 en dat de inkomstenderving van € 1.900,00 dient te worden afgewezen. Voor het overige kan de materiële schade worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade kan naar het oordeel van de officier van justitie, gelet op de eigen rol van het slachtoffer, een bedrag worden toegewezen van € 5.000,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.