RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-103057-20 vonnis van de meervoudige kamer van 26 april 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] wonende te [adres] raadsman mr. W.B.M. Bos, advocaat te Oud-Beijerland 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 april 2021, waarbij de officier van justitie, mr. De Feijter, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte geprobeerd heeft [slachtoffer] te doden, dan wel hem zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht of geprobeerd heeft dat toe te brengen, dan wel hem heeft mishandeld. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem primair is tenlastegelegd, de poging tot doodslag. Zij baseert zich daarbij op verklaringen van aangever [slachtoffer] en diverse getuigen en op medische informatie over aangever. Daarnaast baseert zij zich op de verklaring van verdachte zelf die heeft verklaard dat hij met een mes heeft gezwaaid. Naar de opvatting van de officier van justitie heeft verdachte, door in de borststreek te steken, de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever het leven zou laten. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat aangever tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd en dat ook diverse getuigen wisselende en tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Volgens de verdediging is het aangever geweest die een mes heeft gepakt en heeft verdachte, handelend uit zelfverdediging, dat mes kunnen afpakken waarbij hij mogelijk de aangever verwond heeft. De lezing van verdachte vindt onder meer steun in de verklaringen van de getuigen [naam 1] en [naam 2] . Door toedoen van de politie en onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie is verdachte de kans ontnomen zijn visie nader te onderbouwen of hier nader onderzoek naar te laten doen. Immers, het onder aangever aangetroffen mes is door de politie vernietigd zonder enig nader onderzoek. DNA-onderzoek, dacty-onderzoek of onderzoek naar niet zichtbaar bloed had tot de mogelijkheden behoord. Dit is wat de verdediging ook had gewenst. Het Openbaar Ministerie hoeft hiervoor niet niet-ontvankelijk te worden verklaard, maar dit dient wel gevolgen te hebben voor de beoordeling van de zaak. Voorts is onvoldoende duidelijk naar voren gekomen dat er sprake was van een poging tot doodslag. Niet blijkt dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever zou komen te overlijden. Daarom is verzocht verdachte vrij te spreken van hetgeen hem primair is tenlastegelegd. Ten aanzien van de overige varianten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met dien verstande dat, mocht de rechtbank toekomen aan de vraag of sprake is van mishandeling, de verdediging van mening is dat vrijspraak moet volgen omdat sprake was van een noodweersituatie. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 14 april 2020 een woordenwisseling heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer] Op enig moment heeft verdachte een mes uit zijn jaszak gepakt waarna hij het slachtoffer in zijn gezicht en in zijn zij heeft gestoken. De rechtbank is van oordeel dat verdachte dat opzettelijk heeft gedaan. Als gevolg van die steekbewegingen heeft het slachtoffer een steekwond opgelopen aan de linkerzijde van de borstkas en een snijwond ter hoogte van zijn linker wenkbrauw en links van zijn neus. Poging tot doodslag, zware mishandeling of een poging daartoe? Voor de beantwoording van de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag is van belang vast te kunnen stellen hoe, waarmee en met welke kracht verdachte heeft gestoken. Vast staat dat verdachte het slachtoffer met een mes in het gezicht en in de linkerzij van de borstkas net boven de tepellijn heeft gestoken. Afhankelijk van diverse factoren kunnen deze handelingen op zich, indien deze worden doorgezet, de dood tot gevolg hebben en daarmee uitvoeringshandelingen van doodslag zijn. Naar uiterlijke verschijningsvorm kunnen de handelingen van verdachte wel geacht worden daarop te zijn gericht. De rechtbank stelt echter vast dat er geen objectief bewijs voorhanden is op basis waarvan op overtuigende wijze kan worden vastgesteld waarmee en met welke kracht gestoken is door verdachte. Allereerst wordt geconstateerd dat er geen levensbedreigende verwondingen zijn vastgesteld. Uit de medische informatie blijkt dat sprake is van twee snijwonden in het gezicht en één steekwond van 1 ½ cm breed aan de linkerzijde van de borstkas. Verder blijkt dat sprake is van een kleine klaplong. De medische verklaring geeft niet aan wat de diepte van de wonden is geweest. Uit het dossier valt verder niet af te leiden met welke kracht verdachte heeft gestoken. Evenmin kan worden vastgesteld met wat voor soort mes er is gestoken, wat de grootte van het mes was en hoe lang het snijvlak van het mes was. Over het mes is door aangever, verdachte en getuigen wisselend verklaard. Verder onderzoek naar het mes waarmee is gestoken ontbreekt ook. Onder het slachtoffer is weliswaar in het ziekenhuis nog een mes aangetroffen, echter dit mes is niet onderzocht kunnen worden omdat het door de politie zelf is vernietigd. Het ontbreken van forensisch en objectief bewijs omtrent de wijze van steken, de kracht waarmee is gestoken, het mes waarmee is gestoken en de diepte van de steekverwondingen, maakt dat de rechtbank niet de overtuiging heeft dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Immers, niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans was dat het slachtoffer als gevolg van deze steekverwondingen zou komen te overlijden én dat verdachte die kans heeft aanvaard. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van hetgeen hem primair is tenlastegelegd. Wel leveren de gedragingen van verdachte het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel op. Op basis van de medische verklaring kan worden vastgesteld dat het slachtoffer een kleine klaplong heeft opgelopen. Daarnaast kan worden vastgesteld dat het slachtoffer links van zijn linker wenkbrauw en links van de neus een snijwond heeft opgelopen waarbij sprake is van een restschade in de vorm van een blijvend en ontsierend litteken in het gezicht. De rechtbank is van oordeel dat het totale letsel zwaar lichamelijk letsel oplevert als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Gelet hierop acht de rechtbank hetgeen verdachte subsidiair is tenlastegelegd, wettig en overtuigend bewezen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (subsidiair) op 14 april 2020 te Bergen op Zoom aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een klaplong en een steek-/snijwond in het gezicht (welke een litteken heeft achtergelaten), heeft toegebracht door die [slachtoffer] met een mes, meermalen te steken en/of te snijden. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid 5.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet strafbaar is nu geenszins kan worden uitgesloten dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer c.q. dat sprake is van noodweerexces. Daartoe is aangevoerd dat verdachte zich noodzakelijk heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanval/aanranding door aangever en dat er bij verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging die het gevolg was van de aanranding door aangever. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaring van verdachte dat hij werd aangevallen steun vindt in diverse verklaringen van getuigen. 5.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat een noodweer(exces) situatie niet aannemelijk is geworden, omdat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lichaam van verdachte weertegen hij zich mocht verdedigen. Het is verdachte geweest die de confrontatie heeft opgezocht en het is verdachte geweest die tijdens een woordenwisseling met het slachtoffer uit het niets een mes heeft gepakt en daarmee heeft gestoken. Mocht de rechtbank wel een noodweersituatie aannemelijk achten, dan geldt dat het gekozen verdedigingsmiddel een brug te ver is. Tevens is onvoldoende aannemelijk geworden dat er een hevige gemoedsbeweging was die door de aanranding werd veroorzaakt. 5.3 Het oordeel van de rechtbank Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees/angst voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het verdachte is geweest die de confrontatie is aangegaan met [slachtoffer] en dat het verdachte is geweest die een mes heeft gepakt. De rechtbank volgt hierin de verklaring van aangever. Aangever heeft verklaard dat verdachte hem wenkte en dat verdachte in de richting van de auto liep waarin aangever als bijrijder zat. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van de getuige [naam 1] . Deze heeft verklaard dat hij met verdachte op straat liep en dat verdachte dacht dat hij één van de jongens had gezien die hem eerder hadden aangevallen. Verdachte zei daarop tegen de jongen: “He kom hier jij” waarna de jongen uit de auto stapte en verdachte tegen hem zei: “oh ik dacht dat jij je broertje was” en “Als jij je broertje ziet zeg hem dat hij de mijne is”. Bij de rechter-commissaris heeft getuige [naam 1] dit nogmaals verklaard. Al in een eerder stadium, bij het doen van een aangifte van diefstal met geweld, heeft verdachte op 9 april 2020 tegenover de politie aangegeven dat, als hij de daders tegen zou komen, hij ze gemakkelijk terug zou pakken als het zou moeten. De rechtbank is uit het dossier niet gebleken dat het aangever is geweest die de confrontatie heeft opgezocht met verdachte. Gezien de feiten en omstandigheden als hiervoor omschreven en als aangehaald in de bewijsmiddelen, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte door aangever, zodat het beroep op noodweer wordt verworpen. Omdat verdachte niet heeft gehandeld uit noodweer kan zich niet de situatie voordoen dat verdachte te ver is gegaan in die verdediging en dit brengt met zich dat ook het beroep op noodweerexces niet kan slagen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met daarbij als bijzondere voorwaarde dat verdachte op geen enkele wijze contact mag opnemen met het slachtoffer. Hierbij is de officier van justitie uitgegaan van een bewezenverklaring van de poging tot doodslag. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft gewezen op het rapport van de reclassering waaruit blijkt dat er sprake is van bepaalde beperkingen bij verdachte en dat hij feitelijk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Hiermee moet rekening worden gehouden bij het bepalen van de hoogte van de straf. Daarnaast blijkt uit dit rapport dat het op dit moment goed gaat met verdachte. Verzocht is om, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring en strafoplegging komt, te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Mocht dat naar de opvatting van de rechtbank onvoldoende recht doen aan de ernst van het feit, dan wordt verzocht daarnaast een voorwaardelijk straf of een werkstraf aan verdachte op te leggen. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit. Tijdens een woordenwisseling die midden op straat plaatsvond en waarbij omstanders aanwezig waren, heeft verdachte een mes getrokken en daarbij heeft hij het slachtoffer in het gezicht geraakt en in diens zij in de borststreek. Als gevolg hiervan was direct medisch handelen noodzakelijk. Het slachtoffer heeft er een blijvend en zichtbaar litteken in het gezicht aan overgehouden. Het handelen van verdachte heeft een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat dergelijk geweld, naast lichamelijk leed, voor slachtoffers gedurende lange tijd ook psychische gevolgen met zich kan brengen. Nog steeds is het slachtoffer verbaasd over hoe dit heeft kunnen gebeuren. Dit blijkt uit zijn ter zitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring. Nog steeds vraagt het slachtoffer zich af waarom verdachte de onenigheid niet gewoon heeft willen uitpraten. Het had op 14 april 2020 voor het slachtoffer goed kunnen aflopen als verdachte had willen praten. In plaats daarvan heeft verdachte de gewelddadige confrontatie opgezocht en heeft hij het slachtoffer uiteindelijk gestoken. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Daarnaast spelen dit soort incidenten een grote rol bij het ontstaan van gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Ook dat neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk. Bij de beoordeling van de soort en de hoogte van de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de rapporten die over verdachte zijn uitgebracht door de reclassering. In het meest recente rapport van 6 april 2021 wordt verwezen naar een eerder onderzoek door het NIFP waarbij signalen naar voren zijn gekomen dat bij verdachte vroeger sprake was van een cognitieve, emotionele en intellectuele achterstand in zijn ontwikkeling als gevolg van een eerder opgelopen ernstig fysiek trauma. Dit heeft ertoe geleid dat verdachte in het kader van een schorsingstoezicht is aangemeld bij de GGZ voor diagnostiek en behandeling. Hieraan heeft verdachte zijn medewerking verleend. Gebleken is dat bij verdachte sprake is van een beperkt inzicht in zijn beperkingen en dat er weerstand is om deze beperkingen te aanvaarden. Het is aannemelijk dat deze beperkingen ervoor zorgen dat verdachte weinig flexibiliteit van denken heeft, moeilijk ‘verstandige’ keuzes kan maken en moeilijker impulsen kan onderdrukken. Verdachte probeert moeilijke situaties zoveel mogelijk te vermijden, maar als dit niet lukt kan hij geen passende copingvaardigheden aanwenden om problemen op te lossen. Het lijkt erop dat, als verdachte voor zijn gevoel bedreigd wordt, hij geen andere oplossing kan bedenken dan met agressie te reageren. Hieraan is tijdens zijn behandeling aandacht besteed en naar de opvatting van de reclassering is er nu geen reden meer voor verdere behandeling. De reclassering ziet verder geen meerwaarde in een reclasseringstoezicht of behandeling. Daarnaast betrekt de rechtbank bij de beoordeling van de strafmaat het strafblad van verdachte. Verdachte heeft weliswaar geen recente veroordelingen op zijn naam staan, toch vindt de rechtbank het strafblad van verdachte zorgwekkend. Verdachte is eerder vanwege geweldsdelicten met justitie in aanraking gekomen, ook voor het plegen van een soortgelijk feit als waarvoor hij nu veroordeeld wordt. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden noodzakelijk is. Dit is een stuk minder dan de officier van justitie heeft geëist, maar de rechtbank komt ook tot een bewezenverklaring van een minder ernstig feit dan waarvan de officier is uitgegaan. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 4 maanden, voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en een contactverbod met het slachtoffer mogelijk te maken. De rechtbank acht een dergelijk contactverbod noodzakelijk teneinde te voorkomen dat verdachte zich wederom agressief zal gedragen naar het slachtoffer toe. Ten aanzien van dat contactverbod overweegt de rechtbank nog het volgende. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op de persoon van verdachte zoals gebleken uit het hiervoor aangehaalde rapport van de reclassering en zoals gebleken uit verklaringen van verdachte tegenover de politie, meer in het bijzonder zijn verklaring dat hij het zelf wel zou oplossen, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan als hij het slachtoffer tegenkomt. Immers in het reclasseringsrapport is aangegeven dat, indien verdachte het gevoel heeft dat hij bedreigd wordt, hij geen andere oplossing kan bedenken dan met agressie te reageren. Teneinde dat te voorkomen zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarde dadelijk uitvoerbaar is. 7De benadeelde partij De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 8.818,96 voor het door verdachte gepleegde feit. De rechtbank overweegt hierbij dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld naar de benadeelde partij toe en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. Ter zake de materiële schade overweegt de rechtbank dat het gevorderde eigen risico voor de zorgverzekering volledig toewijsbaar is nu dit bedrag voldoende is onderbouwd en niet is betwist. De rechtbank stelt verder vast dat het gevorderde bedrag ter zake van kleding en schoenen niet is onderbouwd met bonnen. Gelet op het ontbreken daarvan en gelet op de betwisting van dit bedrag heeft de rechtbank het schadebedrag ter zake van de kleding geschat en daarbij vastgesteld op een bedrag van € 600,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.