RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/216240-19 vonnis van de meervoudige kamer van 3 mei 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] thans verblijvende in de FPA Kompas te Wolfheze raadsman mr. J.A.W. Knoester, advocaat te ’s-Gravenhage 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 april 2021, waarbij de officieren van justitie, mr. C. de Pagter en mr. I.M. Peters, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Verder zijn als deskundigen ter zitting gehoord dr. [naam 1] , psychiater, dr. [naam 2] , psychiater, en [naam 3] , reclasseringswerker. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering en als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden, al dan niet met voorbedachte raad, dan wel zwaar lichamelijk letsel bij hem te veroorzaken dan wel hem heeft mishandeld. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de primair tenlastegelegde poging doodslag wettig en overtuigend bewezen. Iedereen weet dat het aantrekken van een koord om iemands hals kan leiden tot verstikking en de dood. Door het koord gedurende meerdere seconden met kracht aan te (blijven) trekken toen het om de hals van [slachtoffer] zat, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit vrijspraak van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte het opzet had om [slachtoffer] te doden of zwaar te verwonden. Aangezien daarnaast niet kan worden vastgesteld met welke kracht en intensiteit verdachte aan het koord heeft getrokken, kan niet worden geconcludeerd dat de kans op overlijden of het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk is geweest. Verdachte heeft het intreden van dit risico in ieder geval nimmer aanvaard. Verder mag de verklaring van getuige [getuige 1] , in het bijzonder voor zover deze inhoudt dat verdachte “steeds opnieuw het slachtoffer wilde aanvallen”, niet worden gebruikt voor het bewijs, nu de getuige niet nader door de verdediging kon worden gehoord en de betrouwbaarheid van de verklaring dus niet kan worden getoetst. De verdediging heeft ten aanzien van de meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling geen bewijsverweer gevoerd. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier stelt de rechtbank vast dat verdachte op 7 september 2019 in Oosterhout een koord om de hals van [slachtoffer] heeft geslagen en dat vervolgens heeft aangetrokken. Verdachte heeft het koord daarna aangetrokken gehouden, als gevolg waarvan [slachtoffer] bewusteloos is geraakt en een drietal striemen, een blaar en kleine bloeduitstortingen in zijn hals heeft opgelopen. Ook was de linkerzijde van zijn hals gezwollen. Om tot een bewezenverklaring van een poging tot moord dan wel doodslag te kunnen komen, is vereist dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Bij poging tot moord moet er tevens sprake zijn van voorbedachte raad. Met de officier van justitie en de verdediging ziet de rechtbank geen aanwijzingen in het dossier dat verdachte ‘vol’ opzet had op de dood van [slachtoffer] . Datzelfde geldt voor de aanwezigheid van een vooropgezet plan. De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Zij overweegt daartoe als volgt. Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer de gedragingen van verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg in het leven hebben geroepen en verdachte het risico op het intreden van deze gevolgen ook bewust heeft aanvaard. Het antwoord op de vraag of een kans aanmerkelijk is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, heeft verdachte een koord om de hals van [slachtoffer] geslagen en dit vervolgens aangetrokken. Hij is aan dit koord blijven trekken waardoor [slachtoffer] bewusteloos is geraakt. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het koord vijftien à twintig seconden heeft aangetrokken en daarbij behoorlijk wat kracht heeft gebruikt. Uit het forensisch geneeskundig verslag blijkt dat het aantrekken van het koord met schurende en drukkende kracht heeft plaatsgevonden en dat daardoor de halsslagader afgesloten is geweest. De rechtbank begrijpt dat dit de oorzaak is geweest van het bewusteloos raken van [slachtoffer] . Uit de verklaring van getuige [getuige 2] volgt dat verdachte aan het koord is blijven trekken en dat hij en getuige [getuige 1] hem met veel moeite van [slachtoffer] hebben moeten wegtrekken. Het is een feit van algemene bekendheid dat de halsstreek een kwetsbaar deel is van het menselijk lichaam waarin zich vitale delen zoals halsslagaders, het strottenhoofd en de luchtpijp bevinden. Door het koord zo lang en zo krachtig aan te trekken dat [slachtoffer] het bewustzijn verloor en hier verschillende verwondingen in zijn halsstreek aan overhield, en hier pas mee te stoppen nadat getuigen hem van [slachtoffer] proberen weg te trekken, heeft verdachte de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat [slachtoffer] als gevolg hiervan zou komen te overlijden. Deze gedraging is naar haar uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht geweest op dat gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg ook bewust heeft aanvaard. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de aan hem tenlastegelegde poging tot doodslag. Omdat de rechtbank de verklaring van getuige [getuige 1] niet voor het bewijs gebruikt, behoeft het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van die verklaring geen verdere bespreking. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 7 september 2019 te Oosterhout ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, een koord om de hals van die [slachtoffer] heeft geslagen en vervolgens dat koord, dat om de hals van die [slachtoffer] zat, heeft aangetrokken en aangetrokken gehouden waardoor die [slachtoffer] zijn bewustzijn heeft verloren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid 5.1 De strafbaarheid van de feiten Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. 5.2 De strafbaarheid van verdachte 5.2.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht verdachte (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar. Nu verdachte aan het incident herinneringen heeft en een uitleg kan geven, heeft hij enig inzicht in of besef van zijn handelen gehad en was hij enigszins in staat de gevolgen van zijn keuzes te overzien. Daar komt bij dat verdachte er zelf de hand in heeft gehad dat hij in een psychose terecht is gekomen. Deze is immers ontstaan door zijn drugsgebruik, waarvan hij ook de (nadelige) werking kende. Het ontstaan van de psychose onder invloed waarvan verdachte heeft gehandeld, kan verdachte daarom worden verweten. Verdachte is derhalve strafbaar. 5.2.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging acht verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar. Daartoe wordt verwezen naar de deskundigenrapporten en de verklaring van de deskundigen ter zitting. Verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Verdachte is achteraf gaan beredeneren wat hij heeft gedaan om het volkomen irreële en onacceptabele ervan te kunnen begrijpen. Zijn verklaring moet daarom met terughoudendheid worden bezien. Daar komt bij dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit drugs heeft gebruikt en dat zijn drugsgebruik de psychose heeft veroorzaakt. Verdachte is immers ook in de periode dat hij in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) zat en geen drugs gebruikte zeker vier maanden psychotisch geweest. 5.2.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de beoordeling of verdachte strafbaar is, heeft de rechtbank acht geslagen op de rapporten van GZ-psycholoog drs. [naam 4] en psychiater dr. [naam 2] van 9 januari 2020 respectievelijk 21 januari 2020 alsmede op het rapport van het PBC van 17 november 2020, opgesteld door psychiater dr. [naam 1] en psycholoog drs. [naam 5] . Uit het rapport van GZ-psycholoog [naam 4] blijkt dat bij verdachte sprake is van een schizofreniforme stoornis en een stoornis in het gebruik van een stimulantium. Verdachte verkeerde ten tijde van het tenlastegelegde in een psychose. Hij had paranoïde wanen en betrekkingsideeën. De deskundige kan niet goed beoordelen of zijn psychotische beeld een gevolg is van zijn drugsgebruik of moet worden bezien in het kader van een schizofrene ontwikkeling, waarvoor immers aanwijzingen zijn. Zij adviseert het tenlastegelegde, indien bewezen, niet aan verdachte toe te rekenen. Uit het rapport van psychiater [naam 2] blijkt dat bij verdachte sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van amfetamines. Mogelijk is er ook sprake van een stoornis in het gebruik van alcohol. De deskundige kan niet vaststellen hoe erg de psychose was en in hoeverre het gebruik van drugs daarbij een rol heeft gespeeld. Hij heeft zich daarom onthouden van een advies over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte en heeft geadviseerd verdachte te laten onderzoeken in het PBC. Verdachte is daarna ook onderzocht in het PBC. Het rapport van de deskundigen van het PBC is vrijwel gelijkluidend aan het rapport van GZ-psycholoog [naam 4] voor wat betreft de omschreven problematiek van verdachte, het advies en de argumenten waarop dit is gebaseerd. Aanvullend wordt gerapporteerd dat het veelvuldig drugsgebruik van verdachte een negatief versterkend effect heeft gehad op zijn psychotische kwetsbaarheid. De deskundigen achten het niet waarschijnlijk dat de psychose louter is veroorzaakt door het drugsgebruik van verdachte. Verdachte is immers na plaatsing in het PPC (en dus ook lang na het stoppen met het gebruik van drugs) nog zeker vier maanden psychotisch geweest. Ook is niet komen vast te staan dat verdachte die dag zelf drugs heeft gebruikt. De deskundigen geven verder aan dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkig ziektebesef en -inzicht en dat hij onvoldoende kennis heeft van de mogelijke psychotische effecten van drugs. Zij adviseren het tenlastegelegde, indien bewezen, niet aan verdachte toe te rekenen. Psychiater [naam 1] is ter zitting bij dit advies gebleven. De rechtbank kan zich vinden in de conclusies van de deskundigen ten aanzien van de volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte met betrekking tot het aan hem tenlastegelegde feit en neemt deze over. De rechtbank ziet geen reden om in afwijking van het advies van de deskundigen te concluderen tot (sterk) verminderde toerekeningsvatbaarheid, zoals door de officier van justitie is bepleit. Uit de rapporten van de deskundigen blijkt weliswaar dat het gebruik van drugs in zijn algemeenheid een ongunstige invloed kan hebben op de bij verdachte vastgestelde stoornis, in die zin dat het de psychotische symptomen kan doen toenemen. Met betrekking tot het onderhavige strafbare feit kan echter niet worden vastgesteld dat verdachte voorafgaand aan zijn handelen drugs heeft gebruikt, op welk moment hij dit zou hebben gedaan en of hij als gevolg daarvan in een psychose is geraakt. Wat dat laatste betreft, kent de rechtbank in het bijzonder gewicht toe aan het feit dat verdachte ook in de periode dat hij in het PPC zat en geen drugs gebruikte, vier maanden psychotisch is geweest. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte zelf verwijtbaar heeft bijgedragen aan het ontstaan van de psychische toestand onder invloed waarvan hij het strafbare feit heeft gepleegd. Het vorenstaande brengt mee dat verdachte niet strafbaar is, nu het bewezenverklaarde feit hem wegens de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend. De rechtbank zal verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd dat verdachte (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Zij vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met voorwaarden, waarbij de voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd, dienen te worden opgelegd. Daarbij wordt verzocht de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast vordert zij aan verdachte op te leggen de vrijheidsbeperkende en gedragsbeïnvloedende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht, waarbij de voorwaarden aan het einde van de tbs ingevuld moeten worden. Gelet op de ernst van het delict, het hoge recidivegevaar en de duur van de vereiste behandeling acht de officier van justitie behandeling op basis van een zorgmachtiging in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: de Wvggz) niet toereikend. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bij een bewezenverklaring primair verzocht af te zien van het opleggen van een TBS-maatregel. Zij stelt dat niet is voldaan aan het ‘ultimum remedium’-vereiste voor het opleggen van een TBS-maatregel omdat andere, minder ingrijpende maatregelen mogelijk zijn die niet eerder zijn geprobeerd, namelijk de zorgmachtiging in het kader van de Wvggz. Een TBS-maatregel zal bovendien kunnen leiden tot ongewenstverklaring van verdachte, waardoor resocialisatie niet mogelijk is. Zij heeft de rechtbank verzocht om van haar ambtshalve bevoegdheid tot het verlenen van een zorgmachtiging gebruik te maken. Subsidiair, indien de rechtbank overgaat tot het opleggen van TBS, heeft de verdediging verzocht de TBS-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren zodat de plaats op de FPA voor verdachte behouden blijft. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft, mogelijk om aandacht te vragen voor zijn slechte psychische gesteldheid, een voor hem onbekende man met een koord proberen te wurgen. Het slachtoffer is daardoor bewusteloos geraakt en heeft verwondingen in zijn hals opgelopen. Door omstanders kon tijdig worden ingegrepen, waardoor nog ernstigere gevolgen gelukkig zijn uitgebleven. Zoals de rechtbank onder 5.2.3 heeft overwogen, kan dit feit niet aan verdachte worden toegerekend. Aan hem kan om die reden geen verwijt worden gemaakt of straf worden opgelegd. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of oplegging van een maatregel nodig is. De rechtbank heeft bij deze afweging de adviezen van GZ-psycholoog [naam 4] en van de deskundigen van het PBC (psychiater [naam 1] en psycholoog [naam 5] ) betrokken alsmede het advies van de heer [naam 3] van de reclassering. GZ-psycholoog [naam 4] schat het risico op gewelddadig gedrag als hoog in zowel op de middellange als de lange termijn, zolang verdachte psychotisch is. Verdachte heeft beperkt inzicht in zijn stoornis en het risico op gewelddadig gedrag en hij neemt zijn medicatie onregelmatig in. Zijn leefomstandigheden zijn instabiel en stressvol. Daarnaast is er een grote druk om te werken. Om dit vol te kunnen houden, is de verleiding om door te gaan met amfetaminegebruik groot. De psycholoog verwacht dat verdachte snel in stressvolle omstandigheden zal belanden, met het innemen van medicatie zal stoppen en weer drugs zal gaan gebruiken. Het is volgens de psycholoog wenselijk dat verdachte klinisch wordt behandeld voor zijn psychotische stoornis en dat zijn inzicht in stressfactoren wordt vergroot. Dit kan in een setting met een beperkt beveiligingsniveau, zoals een Forensische Psychiatrische Afdeling (hierna: FPA). Volgens de psycholoog geniet een behandeling in het kader van een zorgmachtiging de voorkeur boven een TBS-maatregel, omdat verdachte niet eerder vanwege geweldsincidenten met de politie in aanraking is geweest. De deskundigen van het PBC schatten het recidivegevaar als hoog in, indien verdachte onbehandeld zou terugkeren in de maatschappij. De diagnose schizofrenie is een levenslange diagnose. Verdachte heeft beperkt inzicht in zijn stoornissen, de noodzaak van anti-psychotische medicatie en het effect van middelen. Volgens de deskundigen is het vergaren van kennis over schizofrenie en middelengebruik, het instellen op medicatie en het resocialiseren een langdurig proces, waarbij verdachte begeleid dient te blijven worden. De deskundigen adviseren verdachte bij voorkeur te laten behandelen in een FPA in het kader van een zorgmachtiging vanwege het verstrekkende karakter van de TBS-maatregel, de vreemdelingenrechtelijke gevolgen voor verdachte en het feit dat verdachte niet eerder geweld heeft gebruikt tijdens een psychose. De zorgmachtiging kan bovendien met een half jaar worden verlengd als verdachte aan de criteria voldoet. Ook ter zitting is psychiater [naam 1] bij het standpunt gebleven dat de langdurige psychiatrische zorg die verdachte nodig heeft, op grond van een zorgmachtiging kan worden verleend. Hij heeft verklaard dat verdachte na de klinische opname zal gaan resocialiseren in de omgeving en woonruimte en werk zal gaan zoeken en dat hij niet eerder uit de kliniek kan worden ontslagen dan dat hij woonruimte heeft. Binnen een TBS-maatregel zal verdachte dezelfde behandeling krijgen. Volgens de reclassering is de TBS-maatregel met voorwaarden ook in de situatie van verdachte uitvoerbaar. Verdachte is aangemeld en geaccepteerd bij FPA Kompas in Wolfheze. Aldaar kan verdere psychiatrische stabilisatie plaatsvinden en onderzocht worden of verdachte een bestaan in Nederland kan opbouwen of dat er ingezet moet worden op repatriëring naar Polen. De voorwaarden behorende bij de TBS-maatregel kunnen door de reclassering in Polen worden overgenomen. Ook ter zitting is de heer [naam 3] bij het standpunt gebleven dat de TBS-maatregel met voorwaarden uitvoerbaar is. Hij heeft uitgelegd dat hij verwacht dat er zeker twee jaar nodig is om verdachte psychiatrisch te stabiliseren. Als verdachte meewerkt aan zijn behandeling, medicatietrouw is, meer ziekte-inzicht heeft en zijn abstinentie weet vast te houden, kan hij mogelijk al na een kortere periode uitstromen naar een andere vorm. Verdachte heeft zich bereid verklaard aan de opgestelde voorwaarden mee te werken. De rechtbank heeft tot slot kennis genomen van het voortgangsverslag van [naam 6] van 12 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.