RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02-033207-20 vonnis van de meervoudige kamer van 6 mei 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1974 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] raadsman mr. R.A. Kaarls, advocaat te ’s-Gravenhage. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 april 2021, waarbij de officier van justitie mr. R.C.P. Rammeloo en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat door het verkeersgedrag van verdachte (overschrijding maximum snelheid, inhalen in een bocht en in een slip raken) een fietsster om het leven is gekomen; ten laste gelegd in twee juridische varianten. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, waarbij hij voor de mate van schuld uitgaat van ‘aanmerkelijk onoplettend’. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit. De oorzaak van het ongeval kon forensisch technisch niet vastgesteld worden. Er kan niet worden bewezen dat verdachte de in de tenlastelegging verweten gedragingen heeft verricht. Gebleken is dat het stuk weg waar de auto van verdachte in een slip raakte niet voldeed aan de daaraan gestelde stroefheidseisen en waarbij bovendien mogelijk een bijzondere gladheid is ontstaan door honingdauw. Er is geen verkeersfout gemaakt die aan verdachte kan worden toegerekend. Zij heeft met haar gedrag geen gevaar op de weg veroorzaakt, dan wel het verkeer gehinderd. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting het volgende kan worden vastgesteld. Verdachte reed in de ochtend van 7 september 2018 met haar auto over de Oud Vossemeersedijk, komende uit de richting van Oud Vossemeer en rijdende in de richting van Tholen. Zij heeft daar een voor haar rijdende auto ingehaald. Daarna is zij in een slip geraakt, waardoor zij van de weg is geschoven en op het naast- en lagergelegen fietspad terecht is gekomen waar zij het slachtoffer heeft geraakt, waardoor het slachtoffer is overleden. Het slippen vond plaats na een in die weg gelegen flauwe bocht naar rechts. De rechtbank staat vervolgens voor de vraag of er een aan verdachte te verwijten gedraging heeft plaatsgevonden waardoor zij van de weg is geraakt. De rechtbank overweegt in dat kader als volgt. Snelheid en inhaalmanoeuvre Vast staat dat de maximum toegestane snelheid voor motorvoertuigen op de weg 80 kilometer per uur was. Uit het proces-verbaal forensisch onderzoek verkeersdelict komt naar voren dat de forensisch onderzoekers geen redenen hadden om aan te nemen dat de bestuurster van de bedrijfsauto (verdachte) de ter plaatste toegestane maximum snelheid had overschreden. Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] reden die ochtend in de auto die door verdachte werd ingehaald. Zij hebben verklaard dat [getuige 1] , de bestuurder, op enig moment 80 tot 85 kilometer per uur reed. Zij zijn daar zo zeker van omdat hij daar eerder al eens 70 kilometer per uur had gereden en [getuige 2] daar een opmerking over had gemaakt, waardoor zij op dat moment aandacht voor de snelheid hadden. [getuige 1] heeft verklaard dat ongeveer tien seconden nadat hij op de snelheidsmeter had gekeken werd ingehaald door een witte bus, zijnde het voertuig van verdachte. De inhaalmanoeuvre vond plaats vóór de bocht, en in de bocht ging de witte bus terug naar de rechterrijbaan, aldus [getuige 1] . [getuige 2] heeft verklaard dat zij na het moment van kijken op de snelheidsmeter op een gegeven moment zag dat zij werden ingehaald door een wit busje. De rechtbank overweegt op grond van deze verklaringen dat er enige tijd zat tussen het kijken op de snelheidsmeter en het moment dat zij werden ingehaald door verdachte. Niet kan worden vastgesteld of de snelheid die [getuige 1] reed op het moment dat zij werden ingehaald door verdachte nog steeds 80 tot 85 kilometer per uur was. Verdachte heeft verklaard dat zij het voertuig van de getuigen heeft ingehaald met een snelheid van ongeveer 85 kilometer per uur. Op dat moment heeft verdachte daarmee de maximum toegestane snelheid overtreden. Verdachte heeft verder verklaard dat zij na de inhaalmanoeuvre alweer terug was op haar eigen weghelft toen het voelde alsof het sturen geen effect had. Ook volgens getuige [getuige 2] was het busje hen al helemaal voorbij toen zij zag dat het heel plotseling naar de rechtse kant wegschoot. De rechtbank gaat er op grond van deze verklaringen en van de foto’s van het wegverloop en de plaats van het ongeval vanuit dat de inhaalmanoeuvre was afgerond voor het einde van de bocht en dat verdachte in een slip is geraakt na de bocht, toen zij weer op haar eigen weghelft reed. Niet kan worden vastgesteld met welke snelheid verdachte reed nadat de inhaalmanoeuvre was afgerond en zij weer op haar eigen weghelft reed, en derhalve evenmin of zij op dat moment reed met een snelheid die de maximum toegestane snelheid overschreed. Slippen De aangetroffen bandsporen op de weg hadden blijkens het proces-verbaal forensisch onderzoek verkeersdelict de uiterlijke kenmerken van slipsporen. Een slipspoor betreft een spoor dat veroorzaakt wordt door een wiel van een (slippend) voertuig dat niet meer onder controle is, aldus dat proces-verbaal. Gelet op de slipsporen op het wegdek, het talud en het fietspad is de rechtbank van oordeel dat het slippen van het voertuig van verdachte de oorzaak is geweest van het van de weg raken van het voertuig, en daarmee de directe oorzaak van het ongeval. De rechtbank gaat er vanuit dat verdachte haar voertuig door het slippen niet voortdurend onder controle kon houden. Uit het proces-verbaal forensisch onderzoek verkeersdelict blijkt dat forensisch technisch niet vastgesteld kon worden wat de oorzaak is geweest dat verdachte met haar voertuig in een slipbeweging is geraakt. Voor zover het verwijt luidt dat de inhaalmanoeuvre en de snelheid waarmee verdachte daarbij reed de oorzaak zijn geweest van het slippen is de rechtbank van oordeel dat dit op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld. Zoals hierboven overwogen was de inhaalmanoeuvre al afgerond op het moment dat zij in een slip raakte, waardoor de snelheid waarmee zij inhaalde niet meer relevant is, en de snelheid direct voorafgaand aan het slippen niet kon worden vastgesteld. Verder is niet gebleken van gedragingen van verdachte die de oorzaak kunnen zijn geweest van de slipbeweging. Daarentegen bevat het dossier aanwijzingen dat de oorzaak van het slippen kan hebben gelegen in de toestand van het wegdek. Het ongeval heeft plaatsgevonden tussen hectometerpalen 1.1 en 1.2, waarbij de slipsporen op het wegdek van de linker rijbaan zijn begonnen tussen hectometerpalen 1.2 en 1.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.