RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/045909-20 vonnis van de meervoudige kamer van 25 januari 2021 in de strafzaak tegen [Verdachte] geboren op [Geboortedag] 1938 te [Geboorteland] wonende aan [Adres] raadsman mr. Arts, advocaat te Breda 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 januari 2021, waarbij de officier van justitie, mr. De Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 2] om het leven zijn gekomen. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden door met een zeer hoge snelheid achter op de stilstaande Renault te rijden, waardoor [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 2] zijn komen te overlijden. Dat verdachte in verontschuldigbare onmacht verkeerde, waaruit zou volgen dat van schuld niet kan worden gesproken, is niet gebleken. De officier van justitie heeft onderzoek willen doen of een eventueel opspelende hartritmestoornis de oorzaak is geweest van het rijgedrag van verdachte, maar voor een dergelijk onderzoek heeft verdachte geen toestemming gegeven. Een schulduitsluitingsgrond is derhalve niet aannemelijk geworden. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende. Op basis van de feitelijke bevindingen en het ontbreken van concrete aanwijzingen van (bewuste) schuld (zoals alcohol of telefoongebruik) is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om te komen tot een afdoende mate van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). In deze zaak is daarnaast sprake van een situatie van verontschuldigbare onmacht. Evident is dat verdachte is weggevallen (syncope). Verdachte heeft zich gedragen als een normale verantwoordelijke verkeersdeelnemer. Hij voelde zich fit en er waren geen aanwijzingen dat hij zou kunnen wegraken. Verdachte heeft niet eerder een black-out gehad achter het stuur en kon er dus niet op berekend zijn dat de black-out plotseling en onverhoeds zou voorvallen, waardoor geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, zodat verdachte vrijgesproken dient te worden. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat op 10 december 2018 een verkeersongeval heeft plaatsgevonden op de afrit van de A16 ter hoogte van de Backer en Ruebweg in Breda. Verdachte is met zijn personenauto (BMW) tegen een daar stilstaande auto (Renault) aangebotst. Als gevolg daarvan zijn beide inzittenden van die auto, [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1] , om het leven gekomen. De vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet, is of het rijgedrag van verdachte zodanig is geweest dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Of sprake is van een dergelijke schuld hangt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat er kort gezegd om of het gedrag van verdachte substantieel afwijkt van het gedrag van een voorzichtige verkeersdeelnemer. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Uit de boordcomputer in de auto van verdachte blijkt dat hij ten tijde van het ongeval veel te hard heeft gereden, namelijk tussen 166 en 171 km/u. Uit de getuigenverklaringen en het technisch onderzoek leidt de rechtbank af dat verdachte vier keer tegen de vangrail is gebotst, zowel aan de rechterkant als aan de linkerkant, voordat hij met een veel te hoge snelheid op de stilstaande auto is gereden. In het bloed van verdachte zijn geen middelen aangetroffen die de rijvaardigheid van verdachte zouden kunnen hebben beïnvloed. Op basis van deze feiten kan worden vastgesteld dat verdachte op enig moment de macht over het stuur is verloren. Hij heeft de controle niet meer teruggevonden en heeft aan beide zijden van de snelweg de vangrail geraakt. Hij heeft in ernstige mate de maximum snelheid overtreden door met 166 tot 171 km/u de afrit op te rijden en is vervolgens op de voor de verkeerslichten stilstaande Renault gebotst. Gelet hierop staat vast dat verdachte het ongeval heeft veroorzaakt en is de rechtbank van oordeel dat verdachte - in beginsel - schuld heeft gehad aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. Dit kan in dit geval anders zijn indien omstandigheden zijn aangevoerd en aannemelijk zijn geworden waaruit volgt dat van schuld in die zin niet kan worden gesproken. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn doordat verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde, zoals door de verdediging is aangevoerd. De rechtbank stelt vast dat niet duidelijk is geworden door welke oorzaak verdachte de macht over het stuur heeft verloren. Verdachte heeft verklaard dat hij hartpatiënt is en mogelijk een black-out heeft gehad. Voorts heeft hij verklaard dat hij last heeft gehad van hartritmestoornissen, maar dat hij daaraan geopereerd is en dat daarna alles goed was. Ten slotte heeft verdachte aangegeven geen verklaring te hebben voor een eventuele black-out nu hij zich op die dag fit voelde. Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van het voorgaande niet aannemelijk geworden dat een medische aandoening, zoals een opspelende hartritmestoornis, de oorzaak is geweest van het rijgedrag van verdachte. De officier van justitie heeft op dit punt nader onderzoek willen doen, door medische gegevens van verdachte op te vragen bij de behandelende artsen, maar verdachte heeft hiervoor - zonder overtuigende reden - geen toestemming gegeven. Daarmee is onderzoek naar de oorzaak feitelijk onmogelijk gemaakt. De rechtbank overweegt dat het aan verdachte is om zijn standpunt te onderbouwen en die onderbouwing ontbreekt in dit dossier. Hieruit leidt de rechtbank af dat er geen medische gronden zijn die een verontschuldigbare onmacht aannemelijk maken. Evenmin bevinden zich in het dossier aanwijzingen waaruit de aannemelijkheid van de door de verdediging geopperde black-out blijkt. De enkele vaststelling dat verdachte de macht over het stuur heeft verloren is onvoldoende om van verontschuldigbare onmacht te spreken. Het verliezen van die macht impliceert namelijk nog niet dat verdachte daarin geen verwijt kan worden gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is de gestelde verontschuldigbare onmacht niet aannemelijk geworden. Het verweer van de verdediging zal dan ook worden verworpen. Mate van schuld De omstandigheden dat verdachte de macht over het stuur is kwijtgeraakt waardoor hij aan beide zijden van de snelweg de vangrail heeft geraakt en het feit dat hij de maximum snelheid ernstig heeft overschreden waardoor hij op de stilstaande Renault is gebotst, leiden de rechtbank tot het oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. De vaststelling dat verdachte de macht over het stuur is kwijtgeraakt acht de rechtbank passend bij deze laagste gradatie van schuld in de zin van de WVW. Conclusie Concluderend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de WVW, in die zin dat er sprake is van schuld doordat verdachte zich als verkeersdeelnemer aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 10 december 2018 te Prinsenbeek, in de gemeente Breda, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto (BMW met kenteken [Kenteken 1] ), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A16, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig, met zeer hoge snelheid, te weten een snelheid van ongeveer 166 kilometer per uur tot ongeveer 171 kilometer per uur, te rijden en de door hem, verdachte bestuurde personenauto niet tot stilstand te kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze weg vrij was waardoor hij achterop een op de afrit 17 van de A16 (Breda Noord) (nagenoeg) stilstaand voertuig (Renault Modus met kenteken [Kenteken 2] ) is gereden, waardoor twee inzittenden van die Renault, te weten: [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 2] zijn komen te overlijden. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 120 uur subsidiair 60 dagen hechtenis. Daarnaast verzoekt de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen voor drie jaar. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit en om die reden geen strafmaatverweer gevoerd. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft op 10 december 2018 een ernstig ongeval veroorzaakt, waarbij hij met zeer hoge snelheid (ongeveer 170 km per uur) op een afrit van de A16 achterop een andere auto is gereden. Die auto vloog daardoor in brand en de twee vrouwen in die auto, [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 2] , zijn daarbij omgekomen. Door dit tragische ongeval zijn twee vrouwen in de bloei van hun leven op een vreselijke manier om het leven gekomen. Hun partner en familie zijn achtergebleven met een enorm verdriet en pijn, zoals ook is gebleken uit de indringende verklaringen van de nabestaanden op de zitting. Maar meer dan twee jaar na dato worstelen zij ook nog steeds met de vraag: hoe heeft dit kunnen gebeuren? De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij niet heeft willen meewerken aan het opvragen van nadere informatie over zijn medische situatie ten tijde van het ongeval, wat mogelijk een antwoord had kunnen geven op die vraag. Bij de bepaling van de straf stelt de rechtbank voorop dat verdachte niet de opzet heeft gehad om een dergelijk tragisch ongeval te veroorzaken, maar hij heeft wel schuld aan de dood van twee vrouwen en daarvoor dient hij een passende straf te krijgen. Daarbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals zijn blanco strafblad, maar vooral ook zijn hoge leeftijd en de gevolgen die het ongeval voor hem heeft gehad. Hij moet immers leren leven met de wetenschap dat twee vrouwen door zijn schuld zijn omgekomen. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij daarvoor psychische hulp heeft gezocht. Bovendien durft hij sindsdien geen auto meer te rijden en heeft hij zijn rijbewijs ingeleverd. Zoals hiervoor is overwogen gaat de rechtbank uit van een lagere gradatie van schuld dan de officier van justitie, namelijk aanmerkelijke schuld in plaats van ernstige schuld. Volgens de oriëntatiepunten van het LOVS is het uitgangspunt hierbij een werkstraf van 240 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor één jaar. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte vindt de rechtbank een werkstraf van 120 uur in dit geval passend. De rechtbank ziet geen reden om daarnaast nog een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zoals de officier van justitie heeft geëist. Wel vindt de rechtbank het van belang dat verdachte, voor het geval hij terugkomt op zijn besluit om zijn rijbewijs in te leveren, niet opnieuw als bestuurder aan het verkeer gaat deelnemen. Daarom wordt ook een rijontzegging opgelegd van 2 jaar. 7De benadeelde partijen 7.1 Ontvankelijkheid benadeelde partij [Naam 1] Door [Naam 2] (moeder van slachtoffer [Slachtoffer 2] ) is een schriftelijke vordering tot schadevergoeding ingediend, mede namens de broer en zussen van het slachtoffer, maar zonder hun handtekeningen. Ter zitting hebben [Naam 3] en [Naam 4] bevestigd dat zij een vordering als benadeelde partij indienen. De andere zus, [Naam 1] , was niet aanwezig. De rechtbank heeft, met instemming van de officier van justitie en de raadsman, de gelegenheid geboden alsnog binnen enkele dagen een schriftelijke bevestiging van de vordering van [Naam 1] in te zenden. De rechtbank en het Openbaar Ministerie hebben echter niets ontvangen, zodat zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. 7.2 De overige benadeelde partijen De benadeelde partij [Naam 5] vordert een schadevergoeding van € 7.500,-. De benadeelde partij [Naam 6] vordert een schadevergoeding van € 20.000,-. De benadeelde partij [Naam 2] vordert een schadevergoeding van € 20.000,-. De benadeelde partij [Naam 3] vordert een schadevergoeding van € 17.500,-. De benadeelde partij [Naam 4] vordert een schadevergoeding van € 17.500,-. Schadevergoeding binnen het strafproces De mogelijkheid om in een strafproces schade te vergoeden is beperkt. In artikel 51f lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald dat zich als benadeelde partij in het strafproces kan voegen degene die rechtstreekse schade heeft geleden door een strafbaar feit. In beginsel geldt dit dus alleen voor het slachtoffer van het strafbare feit zelf. Daarnaast is in een beperkt aantal gevallen ook voor anderen schadevergoeding mogelijk binnen het strafproces. Zo kunnen nabestaanden van iemand die door een strafbaar feit is overleden voor een beperkt aantal kosten schadevergoeding vorderen in het strafproces en bestaat ook de mogelijkheid van vergoeding van zogenaamde shockschade. Omdat het ongeval in 2018 plaatsvond is het in deze zaak niet mogelijk om zogenaamde affectieschade te vorderen. Dat is namelijk pas mogelijk vanaf 1 januari 2019. In deze zaak gaat het bij alle benadeelde partijen om nabestaanden die schadevergoeding vorderen omdat zij stellen dat sprake is van shockschade door het overlijden van hun naaste bij het ongeval. Shockschade Volgens vaste jurisprudentie kan vergoeding van shockschade plaatsvinden als bij de benadeelde een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.