RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummers: BRE 20/6545 ZW en 20/6544 ZW T tussenuitspraak van 11 mei 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres, gemachtigde: mr. D. Marcus, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven), verweerder. Procesverloop Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van 23 april 2020 (bestreden besluit I) en 7 mei 2020 (bestreden besluit II) van verweerder inzake haar aanspraak op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 1 april 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] . Overwegingen 1. Feiten Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres is in de periode 2015-2019 vier keer zwanger geweest. Haar eerste kind is geboren op 25 september 2015. Haar tweede kindje is op 11 maart 2016 door een vroeggeboorte stil geboren. Het derde kind is geboren op 26 augustus 2017. Op 13 maart 2019 is haar vierde kind geboren. Eiseres is tot 31 juli 2017 werkzaam geweest als productiemedewerkster bij [naam bedrijf] via uitzendbureau [naam uitzendbureau] . Van 2 maart tot en met 7 juni 2019 is aan eiseres ten gevolge van de zwangerschap en bevalling van haar vierde kind een uitkering op grond van Wet arbeid en zorg (Wazo) toegekend. Aansluitend heeft zij zich op 8 juni 2019 ziekgemeld met zwangerschaps- en bevallingsgerelateerde klachten. Het UWV heeft haar per die datum een ZW-uitkering toegekend van 100% van het dagloon, omdat zij ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vond in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap. zaak 20/6545 ZW Bij besluit van 31 oktober 2019 (primair besluit I) heeft het UWV deze uitkering beëindigd met ingang van 18 oktober 2019. Eiseres werd nog wel arbeidsongeschikt geacht, maar niet meer ten gevolge van de zwangerschap en/of bevalling. Vanaf 18 oktober 2019 ontving eiseres daarom weer een gewone ZW-uitkering, naar 70% van het dagloon. zaak 20/6544 ZW In november 2019 heeft een zogeheten Toetsing verbetering belastbaarheid 2e ziektejaar plaatsgevonden, waarbij een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is opgemaakt en een arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. Bij besluit van 15 november 2019 (primair besluit II) heeft het UWV eiseres met ingang van 18 oktober 2019 hersteld verklaard en de ZW-uitkering, rekening houdend met een uitlooptermijn, beëindigd met ingang van 16 december 2019. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen beide besluiten. Bij de bestreden besluiten I en II zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Per 16 december 2019 heeft eiseres zich opnieuw ziekgemeld. Naar aanleiding van deze nieuwe ziekmelding heeft het UWV bij besluit van 12 oktober 2020 een gewone ZW-uitkering toegekend per die datum. Na het volmaken van de wachttijd van 104 weken, is aan eiseres per 23 maart 2020 een WIA-uitkering toegekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100%. 2. Procesbelang Op de zitting is gesproken over het procesbelang, omdat het UWV bij primair besluit van 12 oktober 2020 alsnog een ZW-uitkering per 16 december 2019 heeft toegekend. Hierdoor heeft eiseres over de gehele periode een uitkering genoten. De rechtbank is met partijen van oordeel dat eiseres procesbelang heeft over de periode van 18 oktober 2019 tot en met 22 maart 2020, omdat de gewone ZW-uitkering 70%, en de zwangerschapsgerelateerde ZW-uitkering 100% van het dagloon bedraagt. 3. Omvang van het geschil In geschil is: - in zaak 20/6545: de vraag of het UWV terecht heeft geoordeeld dat eiseres niet meer arbeidsongeschikt is als gevolg van zwangerschap of bevalling per 18 oktober 2019 (bestreden besluit I) en - in zaak 20/6544: de vraag of het UWV op goede gronden de ZW-uitkering van eiseres heeft beëindigd per 16 december 2019 (bestreden besluit II). Om die vragen te kunnen beantwoorden dient te worden beoordeeld of de door eiseres ervaren bekkenklachten in (een gedeelte van) de periode van 18 oktober 2019 tot en met 22 maart 2020 hun oorzaak vinden in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap. 4. Wettelijk kader De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW). Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht. Op grond van artikel 19, tweede lid, van de ZW heeft de vrouwelijke verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid die haar oorzaak vindt in zwangerschap of bevalling recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde. Op grond van artikel 29a, vierde lid, van de ZW heeft de vrouwelijke verzekerde, nadat het recht op uitkering op grond van de Wazo is geëindigd, indien zij aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap, recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon, zolang die ongeschiktheid duurt, doch ten hoogste gedurende 104 aaneengesloten weken en wordt dit ziekengeld uitgekeerd vanaf de eerste dag nadat het recht op uitkering, bedoeld in de eerste zin, is geëindigd. 5. Arbeidsmaatstaf De rechtbank stelt vast dat het werk als productiemedewerkster als ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van de ZW moet worden aangemerkt. 6. Medische beoordeling De bestreden besluiten zijn gebaseerd op rapportages van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.