RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers BRE 19/83 t/m 19/87 en 19/143 tot en met 19/150 Beslissing van 21 januari 2021 Beslissing als bedoeld in hoofdstuk V, afdeling 2a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [plaats X], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Feiten en procesverloop 1.
(36)– zij het ogenschijnlijk vooral ter vergelijking voor de methode – naar een tweetal artikelleden in Unierechtelijke regelgeving, waarin hogere percentages c.q. marges worden gehanteerd dan bij de wettelijke rente. Het gaat om een richtlijn waarop de Nederlandse wettelijke handelsrente is gebaseerd; in het desbetreffende artikellid is vermeld ‘de referentie-interestvoet, vermeerderd met ten minste acht procentpunten’. Het andere artikellid is opgenomen in een verordening; daarbij gaat het om basisherfinancieringsrente van de ECB plus acht procentpunten bij bepaalde schuldvorderingen dan wel drieënhalf procentpunten in andere gevallen. 3.33. Mocht een beoordeling gedaan op wijze zoals vermeld in 3.29 en 3.30 (op basis van doel en methode, en rekening houdend met een beoordelingsmarge) toch niet volstaan, en mocht een meer kwantitatieve beoordeling moeten plaatsvinden voor de bepaling of voldaan wordt aan de leenmaatstaf, dan lijkt een nadere invulling – toegespitst op de Nederlandse situatie – nodig van die maatstaf. De door het Hof van Justitie geformuleerde leenmaatstaf is immers een abstracte maatstaf die verder geoperationaliseerd moet worden om te kunnen hanteren. Een gebruikelijk leenpercentage valt niet eenduidig vast te stellen. Afgezien van de kredietwaardigheid van de lener en eventueel gestelde zekerheden, hangt een leenpercentage af van factoren zoals de leenvorm (bijvoorbeeld bij ‘rood staan’ is het rentepercentage relatief hoog), de looptijd van de lening en de grootte van het geleende bedrag. Anders gezegd: op basis van welke uitgangspunten kan worden vastgesteld wat de marge is die ‘gewoonlijk’ door kredietinstellingen wordt toegepast? Vraag is aldus op basis van welke uitgangspunten een toetsing aan de leenmaatstaf zou moeten plaatsvinden. Eenzelfde vraag rijst ook in het kader van de kwestie op welke wijze rechtsherstel zou moeten worden geboden, indien de AWR-berekeningsmethode toch niet in overeenstemming met het doeltreffendheidsbeginsel wordt geacht. 3.34. Tot slot, hiervóór is uitgangspunt geweest de AWR-berekeningsmethode zoals die geldt vanaf de invoering van de belastingrenteregeling per 1 januari 2013. Daarvóór gold de heffingsrenteregeling. Het overgangsrecht bij deze wijziging lijkt voor de BPM – naar de letter – in te houden dat het ervan afhangt van wanneer de belastingschuld is ontstaan waarop de teruggaaf betrekking heeft (vóór of na 1 januari 2012), of de belastingrenteregeling dan wel de heffingsrenteregeling van toepassing is. Als die opvatting juist is, zou met betrekking tot een deel van de teruggaven waarop de onderhavige rentegeschillen betrekking hebben, de heffingsrenteregeling nog van toepassing kunnen zijn, zelfs voor de gehele berekeningsperiode. Voor zover in de onderhavige zaken de heffingsrenteregeling van toepassing zou zijn, rijzen dan in de kern dezelfde vragen: wat kan als leenmaatstaf dienen en voldoet de renteberekening daaraan? Een verschil met de belastingrente is dat voor het heffingsrentepercentage aangesloten wordt bij de basisherfinancieringsrente van de ECB met een andere marge dan wel bij het rendement op staatsobligaties met daarbovenop een marge. Waarom (toch) prejudiciële vragen? 3.35. De directe aanleiding om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen, is gelegen in de kwestie of – kort gezegd – een tweede keer kan worden geprocedeerd over de rentevergoeding ter zake van een teruggaaf. De rechtbank erkent dat zij heeft getwijfeld of het aangewezen is om het instrument van de prejudiciële procedure daarvoor te gebruiken. Het gaat in zaken zoals deze immers alleen om de rente, dus veelal om (zeer) geringe bedragen. Verder is er in die zin sprake van een zeer beperkt maatschappelijk belang dat de voornoemde kwestie slechts een beperkt aantal betrokkenen direct aangaat. Voor zover de rechtbank kan overzien worden zaken waarin het alleen gaat om de belastingrentevergoeding ter zake van een teruggaaf van BPM, nagenoeg alleen aanhangig gemaakt door belanghebbenden die worden bijgestaan door de voormalig gemachtigde. 3.36. De rechtbank heeft niettemin toch besloten prejudiciële vragen voor te leggen over de genoemde kwestie, omdat het van belang is duidelijkheid te hebben. Weliswaar is het directe maatschappelijk belang (zeer) beperkt, maar het indirecte maatschappelijke belang bij die duidelijkheid is groter. Dat belang houdt verband met de massaliteit van BPM-zaken en het relatief grote beslag dat BPM-zaken op de capaciteit van de (fiscale) rechtspraak legt. Tijdige duidelijkheid kan bijdragen aan een efficiënte behandeling van BPM-zaken en daarmee een positieve invloed hebben op de capaciteit die beschikbaar is voor de behandeling voor andere zaken. Van belang is in dit verband dat de inspecteur heeft gemeld dat op dit moment enige honderden bezwaren in behandeling zijn waarin het gaat om alleen de 30ha-rente. Het belang is bovendien niet alleen gelegen in de bezwaren die thans aanhangig zijn. Uitgaande van (
- i)de rechtsopvatting van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat in een procedure over BPM die op aangifte is voldaan, de rechter tevens een beslissing dient te nemen over de 30ha-rente (zie 3.8), en (
- ii)de omstandigheid dat – naar de inspecteur heeft verklaard – op dit moment de voormalig gemachtigde vrijwel steeds bezwaar maakt tegen 30ha-rente die is vermeld op kennisgevingen teruggaaf, is het belang ook gelegen in duidelijkheid voor de toekomst. De combinatie van de massaliteit van BPM-zaken en dat het hier om een formeelrechtelijke kwestie gaat, maakt dat extra gewicht toekomt aan het belang van tijdige duidelijkheid door de Hoge Raad. Tijdige duidelijkheid kan voorkomen dat een groot aantal zaken de gehele procesgang twee keer moet doorlopen, wat namelijk het geval kan zijn indien bijvoorbeeld een bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk wordt verklaard op basis van een rechtsopvatting waarvan pas bij de Hoge Raad blijkt dat die onjuist is geweest. Kanttekening hierbij is dat dit en een ander wellicht vooral van belang is in de ressorten waarin de feitenrechter in zaken over de BPM ook beslist over de 30ha-rente (vgl. 3.7-3.9). 3.37. De prejudiciële vraag inzake het arrest Sole-Mizo is ingegeven door de wens om snel duidelijkheid te krijgen over de betekenis van het arrest Sole-Mizo voor het Nederlandse stelsel van belastingrentevergoeding bij teruggaaf van BPM. De kwestie kan overigens een uitstralingseffect hebben, bijvoorbeeld naar de omzetbelasting en naar de invorderingsrente, alsmede naar de AWR-belastingrentevergoeding op basis van de rentevoet vanaf 1 juni 2020. Opmerking verdient hierbij dat de rechtbank, anders dan belanghebbende ter zitting heeft bepleit, geen aanleiding heeft gezien om op dit punt prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie. Aangenomen, overeenkomstig wat belanghebbende betoogt (‘commerciële rente’), dat uit het arrest Sole-Mizo volgt dat de leenmaatstaf geldt, is het immers aan de nationale rechter om die maatstaf toe te passen in de nationale context. Bovendien, ook als de leenmaatstaf verder verduidelijkt zou moeten worden door het Hof van Justitie, acht de rechtbank niet aangewezen dat zij om die verduidelijking zou vragen, omdat alsdan mogelijk een nadere duiding van het nationale recht gegeven zou moet worden, wat op het terrein van de Hoge Raad ligt. 3.38. De rechtbank merkt tot slot op dat het gebruikelijk is dat prejudiciële vragen worden voorgelegd bij een beslissing door een meervoudige kamer. Mede gelet op het moeizame procesverloop (vgl. 1.4), heeft de rechtbank in dit geval ervan afgezien om de zaken te verwijzen naar een meervoudige kamer. (Naar aanleiding van) de reacties van partijen 3.39. Belanghebbende heeft gemeld – zakelijk, en ontdaan van diskwalificerende opmerkingen over onder meer de Hoge Raad, weergegeven – niet eens te zijn met het voorleggen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Met betrekking tot de eerste drie vragen is het bezwaar van belanghebbende in de kern dat aangezien sprake is van een Unierechtelijk geschil de Hoge Raad niet bevoegd is en dat zo er al onduidelijkheid zou zijn, er vragen aan het Hof van Justitie moeten worden gesteld. Met betrekking tot de vierde vraag acht belanghebbende het voorleggen van vragen niet nodig, omdat duidelijk is dat de AWR-rentevoet te laag is en dat rechtsherstel kan worden geboden door een rentevoet toe te passen bestaande uit de basisherfinancieringsrente van de ECB met een opslag van ten minste acht procentpunten. De rechtbank heeft in dit een en ander geen aanleiding gezien om af te zien van het voorleggen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad of om de vraagstelling te wijzigen. 3.40. De inspecteur heeft in zijn reactie gemeld dat hij geen bezwaar heeft tegen het stellen van prejudiciële vragen, en dat hem de inhoud van de vragen hem relevant voorkomen. 3.41. Opmerking verdient nog dat de formulering van de hierna vermelde 4d) vraag licht afwijkt van de vraag die aan partijen is voorgelegd. Aanleiding daarvoor is een tussentijds gewijzigd inzicht in het overgangsrecht. Conclusie 3.42. De rechtbank zal aan de Hoge Raad vragen voorleggen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing en zal iedere verdere beslissing aanhouden. 4Beslissing De rechtbank: - legt de Hoge Raad ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing de volgende vragen voor: 1a) Staat bezwaar open tegen een rentevergoeding vermeld op een kennisgeving door de inspecteur van een teruggaaf van BPM die op aangifte is voldaan, indien eerder in een rechterlijke uitspraak in een procedure met betrekking tot de voldoening op aangifte reeds is beslist over een rentevergoeding ter zake van die teruggaaf? 1b) Is het voor het antwoord op vraag 1a) relevant of (
- i)de kennisgeving – al dan niet specifiek ter zake van de rente – melding maakt van een ‘beschikking’ en/of een rechtsmiddelverwijzing bevat en (
- ii)of de rente die is vermeld op de kennisgeving al dan niet afwijkt van de beslissing over de rente in de rechterlijke uitspraak? 2a) Dient de inspecteur een bezwaar dat is gemaakt tegen de op grond van artikel 30ha en 30j van de AWR bij beschikking vastgestelde rentevergoeding ter zake van een teruggaaf van BPM die op aangifte is voldaan, niet-ontvankelijk te verklaren, indien – vóórdat de uitspraak op dat bezwaar is gedaan – een rechter in de procedure tegen de voldoening op aangifte inmiddels heeft beslist over de hoogte van de rentevergoeding op grond van artikel 30ha van de AWR ter zake van die teruggaaf? 2b) Is het voor het antwoord op vraag 2a) relevant of de hoogte van de laatstbedoelde rentevergoeding al dan niet afwijkt van de eerstbedoelde rentevergoeding? 3) Is de opvatting juist dat voor de bepaling of sprake is van een rechterlijke beslissing over een rentevergoeding als bedoeld in de vragen 1a) en 2a), hetgeen in rechterlijke uitspaak in de beslissing (‘het dictum’) is opgenomen ter zake van de rente moet worden uitgelegd in het licht van de overwegingen in die uitspraak? Is de opvatting juist dat aan het oordeel dat sprake is van een rechterlijke beslissing, niet in de weg hoeft te staan dat niet exact het rentebedrag is vermeld maar de hoogte van de rentevergoeding meer in abstracte zin is vermeld? Zijn er nog andere meer algemene gezichtspunten die van belang zijn voor de bepaling of sprake is van een rechterlijke beslissing als hiervoor bedoeld? 4a) Voldoet een rentevergoeding op basis van artikel 30ha van de AWR voor zover het gaat om de in artikel 30hb AWR (tekst tot 1 juni 2020) neergelegde rentevoet en de methode van enkelvoudige berekening, zonder meer aan de eisen die uit het doeltreffendheidsbeginsel voortvloeien ter zake van een rentevergoeding bij teruggaaf van in strijd met het Unierecht geheven BPM? 4b) Zo dat niet het geval is, op basis van welke maatstaf en welke uitgangspunten moet getoetst worden of die rentevoet in samenhang bezien met de methode van enkelvoudige berekening leidt tot een rentevergoeding die het doeltreffendheidsbeginsel eerbiedigt? 4c) Zo het doeltreffendheidsbeginsel zich ertegen verzet dat de rentevergoeding wordt berekend op basis van de in artikel 30hb AWR (tekst tot 1 juni 2020) neergelegde rentevoet in samenhang bezien met de methode van enkelvoudige berekening, op basis van welke maatstaf en welke uitgangspunten moet dan rechtsherstel plaatsvinden? 4d) Worden de antwoorden op de vragen 4a, 4b en 4c anders indien het gaat om een rentevergoeding ter zake van een teruggaaf van BPM die verband houdt met een BPM-schuld die is ontstaan vóór 1 januari 2012, en zo ja in welk opzicht? - houdt verder iedere beslissing aan. Deze beslissing is genomen op 21 januari 2021 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze beslissing niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze beslissing alsnog in het openbaar uitgesproken. De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. Bijlage Beschikkings-nummer Zaaknr. VIN Datumkennisgevingteruggaaf Reden teruggaaf Type Datum ontvangstbezwaar 1) Bedrag teruggaaf2) Rente Renteperiode [beschikkingsnummer 1] BRE 19/83 [VIN nummer] 14-03-2018 UOB B 20-04-2018 1) € 160 2) € 35 01-04-2012 / 14-03-2018 [beschikkingsnummer 2] BRE 19/84 [VIN nummer] 14-03-2018 UOB B 20-04-2018 1) € 5 2) € 2 01-04-2012 / 14-03-2018 [beschikkingsnummer 3] BRE 19/85 [VIN nummer] 19-04-2018 Rb Zwb D 28-05-2018 1) € 1719 2) € 379 01-04-2012 / 15-05-2018 [beschikkingsnummer 4] BRE 19/86 ? 17-05-2018 UOB Rb Geld. F 28-06-2018 1) € 1126 2) € 259 1) €679 2) € 156 10-01-2012 / 08-06-2018 [beschikkingsnummer 5] BRE 19/87 [VIN nummer] 31-07-2017 Ambts-halve E 28-08-2017 1) € 660 2) € 113 05-02-2013 / 21-08-2017 [beschikkingsnummer 6] BRE 19/143 [VIN nummer] 10-01-2018 UOB B 19-02-2018 1) € 164 2) €35 01-04-2012 / 30-01-2018 [beschikkingsnummer 7] BRE 19/144 [VIN nummer] 10-01-2018 UOB B 19-02-2018 1) € 1706 2) € 313 01-04-2013 / 30-01-2018 [beschikkingsnummer 8] BRE 19/145 [VIN nummer] 10-01-2018 UOB B 19-02-2018 1) € 1148 2) € 240 01-04-2012 / 30-01-2018 [beschikkingsnummer 9] BRE 19/146 [VIN nummer] 10-01-2018 UOB A 19-02-2018 1) € 1327 2) € 277 01-04-2012 / 30-01-2018 [beschikkingsnummer 10] BRE 19/147 [VIN nummer] 10-01-2018 UOB A 19-02-2018 1) € 622 2) € 130 01-04-2012 / 30-01-2018 [beschikkingsnummer 11] BRE 19/148 [VIN nummer] 10-01-2018 UOB F 19-02-2018 1) € 901 2) € 188 01-04-2012 / 30-01-2018 [beschikkingsnummer 12] BRE 19/149 [VIN nummer] 23-05-2018 Rb Arnhem C 28-06-2018 1) € 1.128 2) € 255 28-12-2011 / 13-06-2018 [beschikkingsnummer 13] BRE 19/150 [VIN nummer] 30-07-2018 Rb Arnhem C 21-08-2018 1) € 117 2) € 27 01-06-2012 / 20-08-2018 A: teruggaaf als gevolg van uitspraak op bezwaar; geen beroep ingesteld. B: teruggaaf als gevolg van uitspraak op bezwaar; in daaropvolgende uitspraak van de rechtbank ook een beslissing over de 30ha-rente. C teruggaaf als gevolg van een rechterlijke uitspraak waarin tevens een beslissing is gegeven over de rentevergoeding ter zake. D teruggaaf als gevolg van een rechterlijke uitspraak; in daaropvolgende uitspraak in hogere instantie is ook een beslissing gegeven over de 30ha-rente ter zake van die teruggaaf. E ambtshalve teruggaaf tegelijk met niet-ontvankelijkverklaring bezwaar; in daaropvolgende rechterlijke procedure(
- s)geen inhoudelijk oordeel over de rente; F bijzonder geval. ECLI:NL:RBZWB:2020:66. ECLI:NL:RBZWB:2020:341. ECLI:NL:RBZWB:2020:3245. HvJ EU 23 april 2020, ECLI:EU:C:2020:292. Op deze plaats en in de overwegingen hierna wordt geabstraheerd van de nuance dat in een deel van de zaken mogelijk het heffingsrenteregime nog van toepassing is; zie daarover 3.34. Vergelijk HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:482, rov. 2.3.3 inzake rente die wordt vergoed naar aanleiding van een teruggaaf omzetbelasting. Bijv. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 augustus 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:4654. HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:482. Vgl. ook Pechler in onderdeel 1 van zijn noot in BNB 2016/129 bij dit arrest. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4001. Bijv. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 januari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:13, rov. 4.10 en – zij het in verband met een teruggaaf wegens export – Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3358 en de daaraan voorafgaande uitspraak Rechtbank Gelderland 30 april 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:1961. Vergelijk HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:482, rov. 2.3.3. Naar analogie van HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3603. Verzamelspoedwet COVID-19, Stb. 2020, 195, artikel 3, onderdeel A in verbinding met artikel 8; KB van 17 juni 2020, Stb. 2020, 196. Artikel 30ha, eerste en derde lid, van de AWR. Wet wijziging percentages belasting- en invorderingsrente, Stb. 2013, 568, artikel I in verbinding met artikel III. Artikel 30hb van de AWR. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3606. Bijv. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 juni 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1845, rov. 4.19. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3606. Vgl. Rechtbank Noord-Nederland 19 november 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3904, rov. 9 en 10. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3606. Daarbij wordt verder buiten beschouwing gelaten de periode waarover AWR-rente wordt berekend, want op dat punt voldoet de AWR-rentevergoeding niet (vgl. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3606). De wetgever heeft daarin voorzien via artikel 28c van de Invorderingswet 1990; zie daarover HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1790. Vgl. HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, rov. 2.7.1 tot en met 2.7.4. Conclusie van 11 september 2019, ECLI:EU:C:2019:708. Mr. C.J. van Zeben e.a., Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 472 (MvA. II). Vgl. ook Tekst & Commentaar BW, commentaar op art. 6:120 BW. Stb. 2014, 491. Stb. 2012, 285. Artikel 6:119, tweede lid, BW. Als de in 3.34 vermeld opvatting over het overgangsrecht juist is, zou het kunnen gaan over de periode vanaf 1 januari 2012 (tot 1 april 2014). Dit zou een berekening zijn die in zeker opzicht spiegelbeeldig is aan die in HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1875, rov. 2.2.2. Ter indicatie: indien wordt uitgegaan van een renteberekening op basis van 4% enkelvoudige rente ten opzichte van een renteberekening op basis van 2% samengestelde rente, ligt het omslagpunt waarbij de laatste renteberekening voordeliger wordt pas na zo’n 65 jaar. Van de recente wijzigingen is de meest uitgebreide toelichting te vinden in Stb. 2004, 13. Vgl. HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1988, rov. 2.3.3. Kamerstukken II 2013/14, 33 755, nr. 3, p. 2. Kamerstukken II, 2019/20, 35 303, nr. 6, p. 30-31, met verwijzing naar een eerder onderzoek, gepubliceerd in Kamerstukken II 2017/18, 34 785, nr. 99, inzake de vraag of de belastingrentepercentages marktconform zijn. Artikel 2, lid 6, van de Richtlijn 2011/7/EU van 16 februari 2011. Artikel 99, lid 2, van de Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van 18 juli 2018. Vgl. Kamerstukken II, 2019/20, 35 303, nr. 6, p. 30-31. Belastingplan 2012, Stb. 2011, 639, artikel XXVIII. Belastingplan 2012, Stb. 2011, 639, artikel XXXIV, lid 1, onderdeel d. Ervan uitgaande dat de wetswijziging bij Wet wijziging percentages belasting- en invorderingsrente, Stb. 2013, 568, het eerdere overgangsrecht niet doorbreekt. Artikel 30f, lid 5, van de AWR (oud). De voorgelegde vraag luidde: 4d) Worden de antwoorden op vragen 4a, 4b en 4c anders indien de periode waarover rente wordt vergoed zich ook uitstrekt tot vóór 1 januari 2013 en zo ja in welk opzicht? Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18 september 2019, nr. 18/526, ECLI:NL:RBZWB:2019:4232; overwegingen over 30ha-rente in rov. 2.3.4. Hoger beroep aanhangig onder nummer 19/00598. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18 september 2019, nr. 18/527, ECLI:NL:RBZWB:2019:4232; overwegingen over 30ha-rente in rov. 2.3.4. Hoger beroep aanhangig onder nummer 19/00599. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 maart 2018, nr. 17/131, ECLI:NL:RBZWB:2018:1778. Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24 oktober 2019, nr. 18/00196, ECLI:NL:GHSHE:2019:3974; overwegingen over 30ha-rente in rov. 4.6 t/m 4.13. Hoge Raad 20 november 2020, nr. 19/05321, ECLI:NL:HR:2020:1830. Rechtbank Gelderland 4 augustus 2016, nr. 12/6250, ECLI:NL:RBGEL:2016:4330. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 april 2018, nr. 16/01130, ECLI:NL:GHARL:2018:3807. Hoge Raad 5 juli 2019, nr. 18/02324, ECLI:NL:HR:2019:1125. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17 mei 2018, nr. 17/4195, ECLI:NL:RBZWB:2018:3269; Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 oktober 2019, nr. 18/00333, ECLI:NL:GHSHE:2019:3993. Hoge Raad 20 november 2020, nr.19/05326, ECLI:NL:HR:2020:1835. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 september 2019, nr. 18/389, ECLI:NL:RBZWB:2019:3946; overwegingen over 30ha-rente in rov. 2.15 t/m 2.17 en 2.36.2. Hoger beroep aanhangig onder nummer 19/00563. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 september 2019, nr. 18/387, ECLI:NL:RBZWB:2019:3946; overwegingen over 30ha-rente in rov. 2.15 t/m 2.17 en 2.35.2. Hoger beroep aanhangig onder nummer 19/00562 en 581. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 september 2019, nr. 18/55, ECLI:NL:RBZWB:2019:3946; overwegingen over 30ha-rente in rov. 2.15 t/m 2.17 en 2.37.2. Hoger beroep aanhangig onder nummer 19/00561 en 583. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 8 juni 2018, nr. 18/56, ECLI:NL:RBZWB:2018:3336. Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24 oktober 2019, nr. 18/00379, ECLI:NL:GHSHE:2019:4002. Hoge Raad 20 november 2020, nr. 19/05339, ECLI:NL:HR:2020:1844. Rechtbank Gelderland 4 augustus 2016, nr. 12/3632, ECLI:NL:RBGEL:2016:4330; overweging over de rente in rov. 55. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 april 2018, nr. 16/01129, ECLI:NL:GHARL:2018:3806; overwegingen over AWR-rente in rov. 4.1 t/m 4.4. Hoge Raad 5 juli 2019, nr. 18/02320, ECLI:NL:HR:2019:1124. Rechtbank Gelderland 30 mei 2016, nr. 15/2803, ECLI:NL:RBGEL:2016:2939; overweging over de rente in rov. 6.