RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02-167589-20 vonnis van de meervoudige kamer van 1 juni 2021 in de strafzaak tegen de minderjarige [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 2006 te [geboorteplaats] , verblijvende te [geboorteplaats] raadsvrouw mr. R.T.K. Davidse, advocaat te Middelburg. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 18 mei 2021, waarbij de officier van justitie, mr. W. Suijkerbuijk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [slachtoffer] , een jongen van destijds negen jaar oud, seksueel heeft misbruikt, bestaande uit: primair: het seksueel binnendringen bij [slachtoffer] ; subsidiair: het plegen van ontuchtige handelingen bij [slachtoffer] . 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie Gelet op de bekennende verklaring van verdachte acht de officier van justitie het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 30 december 2019 te Oud-Vossemeer, gemeente Tholen, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2010, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meerhandelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte- zijn penis in de anus van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en - zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en zich vervolgens door die laten pijpen. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke jeugddetentie van zes maanden, met een proeftijd van twee jaar en de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde bijzondere voorwaarden. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw is met de officier van justitie van mening dat dient te worden volstaan met een voorwaardelijke jeugddetentie. Zij meent echter dat de officier van justitie bij zijn strafeis onvoldoende rekening heeft gehouden met het blanco strafblad van verdachte en het forse tijdsverloop tussen het plegen van het feit en de behandeling ter zitting. De raadsvrouw vindt een voorwaardelijke jeugddetentie van vier maanden passend. Voor wat betreft de duur van de proeftijd en de daaraan te koppelen bijzondere voorwaarden refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte, een jongen van op dat moment twaalf jaar oud, heeft zich in december 2019 schuldig gemaakt aan het seksueel binnendringen bij [slachtoffer] , een jongen die op dat moment negen jaar oud was. Verdachte heeft zich door [slachtoffer] laten pijpen om vervolgens zijn penis in de anus van [slachtoffer] te brengen. Verdachte en [slachtoffer] verbleven in die periode beiden geregeld op een zorgboerderij; een plek waar [slachtoffer] zich veilig zou moeten kunnen voelen. Daar hebben verdachte en [slachtoffer] zich aan het toezicht van de begeleiders onttrokken, waarna verdachte voornoemde seksuele handelingen bij [slachtoffer] heeft verricht en door [slachtoffer] heeft laten verrichten. Verdachte heeft hierdoor op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] geschonden. Hierdoor heeft verdachte een normale en gezonde seksuele ontwikkeling van [slachtoffer] , waar ieder kind - dus ook [slachtoffer] - recht op heeft, doorkruist. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van een kind. Ook in dit geval zijn de gevolgen voor [slachtoffer] groot. [slachtoffer] is vanwege zijn kind-eigenproblematiek een kwetsbare jongen. Uit het dossier en de verklaring van de moeder van [slachtoffer] ter zitting volgt dat [slachtoffer] na het incident veel gevoelens van angst en onveiligheid heeft ervaren. Hierdoor sliep en at hij slecht en was hij de grip op de realiteit kwijt. Er is onder meer EMDR ingezet, waardoor [slachtoffer] zich gelukkig alweer iets beter voelt. Verdachte heeft kennelijk op het moment dat hij zich schuldig maakte aan het plegen van de seksuele handelingen niet stilgestaan bij de gevolgen voor [slachtoffer] en heeft zijn eigen seksuele behoeften vooropgesteld. De rechtbank rekent dat verdachte zwaar aan. Wel acht de rechtbank het positief dat verdachte in de avond van de dag dat hij seksueel is binnengedrongen bij [slachtoffer] op eigen initiatief aan zijn moeder heeft verteld wat hij bij [slachtoffer] had gedaan. Naast de ernst van het feit houdt de rechtbank bij de bepaling van de straf er in positieve zin rekening mee dat uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit. Verder heeft de rechtbank bij het bepalen van de op te leggen straf acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 19 maart 2021 en de toelichting daarop ter zitting. Hieruit volgt dat hetgeen heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer] , is gebeurd in de periode dat verdachte MST-PSB (multi systeem therapie-problematisch seksueel gedrag) volgde. Deze systeemtherapie was op vraag van de moeder van verdachte ingezet, nadat verdachte seksuele handelingen had verricht bij zijn broertje. Verdachte is in mei 2020 geplaatst op de gesloten groep van Via Almata en is nadien onder toezicht gesteld vanwege ernstige zorgen over (de morele) ontwikkeling van verdachte. De Raad meent dat verdachte behandeling nodig heeft teneinde de kans op herhaling te voorkomen. Deze behandeling dient gericht te zijn op het vergroten van zijn vaardigheden, zijn inlevingsvermogen, het leren herkennen en respecteren van zijn eigen grenzen en die van een ander op seksueel gebied. Binnen Via Almata volgt verdachte nu een behandeling waarbij hij leert te mentaliseren. Het is van belang dat deze behandeling wordt voortgezet. Een werkstraf acht de Raad niet passend. Bij het opleggen van een onvoorwaardelijke werkstraf in combinatie met een hulpverleningstraject bestaat namelijk het risico dat verdachte overvraagd wordt, waardoor de behandeling mogelijk doorbroken wordt. De Raad adviseert een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met een proeftijd van twee jaar. De Raad adviseert om daarbij als bijzondere voorwaarden te bepalen dat verdachte de reeds ingezette behandeling moet voortzetten en moet meewerken aan de voor hem noodzakelijk geachte opvolgende behandeling vanuit Fivoor of een soortgelijke instelling. Daarnaast adviseert de Raad om als bijzondere voorwaarde aan verdachte op te leggen dat hij moet meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek, als de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht. De jeugdreclasseerder van Stichting Intervence (hierna: de jeugdreclasseerder) ondersteunt het advies van de Raad. Zij geeft daarbij nog aan dat er al een persoonlijkheidsonderzoek heeft plaatsgevonden bij De Viersprong. Uit dat onderzoek is gebleken dat de zorg bestaat dat verdachte een persoonlijkheidsstoornis ontwikkelt. Om deze ontwikkeling bij te sturen is het noodzakelijk dat verdachte behandeling krijgt. De Viersprong heeft hulpverlening geadviseerd binnen het forensisch kader. Er lijken mogelijkheden te zijn voor ambulante hulpverlening bij Fivoor. Het volgen van behandeling zal verdachte het meest helpen bij het voorkomen van herhaling. Een werkstraf zal hieraan volgens de jeugdreclasseerder geen bijdrage leveren. Ondanks het forse tijdsverloop tussen het plegen van het strafbare feit en de behandeling ter zitting, is de rechtbank alles afwegende van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van zes maanden als straf voor verdachte passend en geboden is. De rechtbank zal de jeugddetentie geheel voorwaardelijke opleggen met een proeftijd van twee jaren. Met de voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Deze voorwaardelijke straf maakt bovendien het opleggen van bijzondere voorwaarden en verplichte begeleiding door de jeugdreclassering mogelijk. De rechtbank is van oordeel dat hulpverlening noodzakelijk is, gelet op de hiervoor door de deskundigen omschreven zorgen over de ontwikkeling van verdachte en de aanwezige kans op herhaling indien verdachte niet verder behandeld wordt. De rechtbank acht het zeer zorgelijk dat verdachte een zedenfeit heeft gepleegd tijdens het MST-PSB traject. De rechtbank zal daarom aan verdachte de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden opleggen, namelijk dat verdachte gedurende de proeftijd de reeds ingezette behandeling bij Via Almata moet voortzetten, en moet meewerken aan een ambulante vervolgbehandeling voor zijn problematiek, onder meer gelegen op het gebied van de seksuele ontwikkeling van verdachte, vanuit de forensische jeugdpolikliniek Fivoor of een soortgelijke instelling. De rechtbank zal daarbij de maatregel van toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering opleggen. 7De benadeelde partij 7.1 De vordering van [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] , vertegenwoordigd door zijn moeder [naam 1] , vordert een schadevergoeding van € 3.259,72, bestaande uit € 1.259,72 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering voldoende is onderbouwd en integraal kan worden toegewezen. De raadsvrouw betwist niet dat [slachtoffer] schade heeft geleden. Zij is echter van mening dat het bedrag aan gevorderde immateriële schade gematigd dient te worden tot een bedrag van € 2.000,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.