RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers BRE 16/3847 en 16/3848 uitspraak van 3 juni 2021 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , gevestigd te [plaats] (Duitsland), belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraken van de inspecteur van 4 mei 2016 op de bezwaren van belanghebbende tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de volgende periodes: - het tijdvak 1 december 2006 tot en met 30 november 2007 tot een bedrag van € 50.089 (zaaknummer 16/3847); - het tijdvak 1 december 2007 tot en met 30 november 2008 tot een bedrag van € 87.544 (zaaknummer 16/3848). Zitting Het onderzoek ter zitting is ingevolge artikel 8:57, eerste lid, van de Awb achterwege gebleven. 1Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. 2Gronden 2.1. In een brief met dagtekening 1 april 2021, door de rechtbank ontvangen op 6 april 2021, schrijft de gemachtigde van belanghebbende het volgende, voor zover hier van belang: “ 1. Feiten en omstandigheden (…) In deze zaak hebben we namens onze cliënt het standpunt ingenomen dat [belanghebbende] [rb: de door gemachtigde gebruikte schrijfwijze voor belanghebbende in deze brief] naar aard en organisatie vergelijkbaar is met een niet transparant fonds voor gemene rekening. Voorts is het standpunt ingenomen dat [belanghebbende] op grond van artikel 56 EG-Verdrag (thans artikel 63 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“VWEU”)) gerechtigd is tot een teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting aangezien [belanghebbende] objectief vergelijkbaar is met een Nederlands fonds dat de status heeft van een fiscale beleggingsinstelling (“FBI”) als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Op grond van artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965 is een FBI effectief gerechtigd tot een teruggave van de te haren laste ingehouden dividendbelasting en drukt deze dus niet op haar. (…) In het arrest d.d. 24 januari 2020 heeft de Hoge Raad overwogen dat een Duits Sondervermögen met slechts één gerechtigde niet vergelijkbaar kan worden geacht met een niet-transparant Nederlands fonds voor gemene rekening. 2Verzoek Mede gelet op de recente ontwikkelingen, verzoeken we u graag om een inhoudelijke uitspraak te doen in de onderhavige zaken. De inhoudelijke uitspraak is relevant voor Duitse belastingdoeleinden.” 2.2. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting heeft afgewezen, reeds gelet op het volgende. Belanghebbende stelt met een beroep op het Unierecht dat recht op teruggaaf van dividendbelasting bestaat omdat belanghebbende vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (hierna: fbi). Daarvoor is onder meer vereist (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.