RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 21/1922 WOB uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2021 in de zaak tussen [eiser], te [plaatsnaam], eiser, en de minister van Justitie en Veiligheid (Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie, hierna: CVOM), verweerder. Procesverloop Eiser heeft op 28 april 2021 digitaal beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door CVOM op zijn verzoek van 6 maart 2021 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen, onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat een behandeling ter zitting achterwege is gebleven. Overwegingen 1. Op grond van de stukken gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij brief van 6 maart 2021 heeft eiser administratief beroep ingesteld bij CVOM inzake een boetebeschikking en de opgelegde administratiekosten in de kwestie met CJIB-nummer [nummer]. In deze brief heeft eiser tevens aan CVOM verzocht om toezending van het volledige dossier op grond van artikel 7:18, tweede lid, van de Awb. Bij brief van 8 april 2021 heeft eiser CVOM bericht dat zijn bezwaar van 6 maart 2021 tevens een verzoek op grond van de Wob bevatte en heeft CVOM in gebreke gesteld voor het niet tijdig beslissen op dat Wob-verzoek. Bij brief van 19 april 2021 heeft CVOM eiser bericht dat zijn verzoek van 6 maart 2021 niet aangemerkt kan worden als een Wob-verzoek en heeft de stukken met betrekking tot het administratief beroep op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb aan eiser toegezonden. Op 28 april 2021 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door CVOM op zijn Wob-verzoek. CVOM heeft bij brief van 21 mei 2021 de op de procedure ‘niet tijdig beslissen’ betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend. 2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb). 3. Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag of CVOM in gebreke is om tijdig een besluit te nemen op de aanvraag, dient de rechtbank eerst antwoord te geven op de vraag of er sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid van de Awb. Eiser stelt dat het verzoek van 6 maart 2021 een Wob-verzoek is en dat er reeds daarom sprake is van een aanvraag. CVOM is van mening dat het verzoek niet aangemerkt kan worden als een Wob-verzoek en dus geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb is. 4. In de uitspraak van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1268, heeft de Afdeling haar rechtspraak over de kwalificatie van een informatieverzoek als Wob-verzoek gepreciseerd. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat hoofdregel is dat wanneer iemand met een beroep op de Wob een verzoek om informatie vervat in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid tot een bestuursorgaan richt, zo’n verzoek een Wob-verzoek is. Het enkele feit dat de verzoeker de informatie vraagt vanwege zijn persoonlijk belang bij kennisneming van de informatie en/of met het oog op het gebruik van de informatie in een procedure tegen het bestuursorgaan of derden, betekent niet dat geen sprake is van een Wob-verzoek. Dat geldt ook indien de verzoeker de informatie (mogelijk) ook kan krijgen op grond van regels over de toegang tot stukken in een procesrechtelijke regeling, zoals artikel 7:4 van de Awb of de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit is alleen anders indien
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.