RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Wrakingskamer Locatie Breda zaaknummer 386307 HA RK 21-121 beslissing van 7 juni 2021 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van: [verzoeker] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, verder ook te noemen verzoeker. 1Het procesverloop Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit: de processtukken zoals opgenomen in de procesdossiers van de hierna te noemen zaken; het wrakingsverzoek van verzoeker, gestuurd per e-mailbericht op 2 juni
- 2Het verzoek 2.
- Het verzoek strekt tot wraking van mr. [voorletter] Combee als behandelend kinderrechter in de zaken met nummers C/02/385201 / JE RK 21-926 en C/02/385894 / JE RK
- 2.
- De rechter berust niet in het verzoek tot wraking. 3De beoordeling 3.
- Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelt op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 3.
- Daarbij moet voorop worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter als uitgangspunt dient, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. 3.
- Voordat tot inhoudelijke behandeling van het verzoek kan worden overgegaan dient te worden beoordeeld of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan. Het verzoek moet worden gedaan zodra de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden bekend zijn geworden. Bovendien moet het wrakingsverzoek zijn ingediend vóórdat de behandeling van de zaak door het wijzen van een einduitspraak is geëindigd. 3.
- In dit geval heeft de kinderrechter op 21 mei 2021 en op 1 juni 2021 in voornoemde zaaknummers uitspraak gedaan en een beschikking gegeven. Verzoeker heeft zijn verzoek op 2 juni 2021 gedaan. Dat is nadat door de rechter uitspraak is gedaan en een beschikking is gegeven en dus is het verzoek te laat gedaan. Deze omstandigheid moet ertoe leiden dat verzoeker niet in het wrakingsverzoek kan worden ontvangen. Wraking van een rechter is op grond van de wet immers alleen mogelijk zolang een zaak wordt behandeld door die rechter. De wetgever heeft niet voorzien in de mogelijkheid een rechter te wraken, wanneer deze de behandeling van de zaak heeft beëindigd door het geven van een eindbeslissing. Met die beslissing heeft immers iedere verdere bemoeienis van die rechter met de zaak opgehouden. Omdat sprake is van niet-ontvankelijkheid laat de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 lid 2 sub d van het wrakingsprotocol van deze rechtbank (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, ga naar: rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wrakingsprotocol). 4Beslissing De rechtbank: verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking. Deze beslissing is gegeven op 7 juni 2021 door mr. Peters, mr. Van de Sande en mr.Haerkens-Wouters, in tegenwoordigheid van mr. Rockx, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier, De voorzitter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.