RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/7010 WET uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2021 in de zaak tussen [naam eiser] h.o.d.n. [naam bedrijf] , te [plaatsnaam] , eiser, gemachtigde: mr. Z. Boufadiss, en de minister voor Rechtsbescherming, verweerder. Procesverloop In het besluit van 31 december 2019 (primair besluit) heeft de minister aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd wegens op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) beboetbare overtredingen. In het besluit van 5 mei 2020 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 4 mei 2021. Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde, en namens de minister mr. S. Azarkani. Overwegingen 1. Bij besluit van 15 februari 2019 heeft de minister aan eiser onder voorwaarden een vergunning verleend voor het in stand houden van een particuliere beveiligingsorganisatie als bedoeld in artikel 3, onder a, van de Wpbr. In de verleende vergunning is toestemming gegeven om [naam eiser] te belasten met de leiding van de particuliere beveiligingsorganisatie. Op 10 juli 2019 heeft de korpschef van de Nationale Politie een ambtsbericht aan de minister uitgebracht. De minister heeft uit dat ambtsbericht afgeleid dat er op 14 juni 2019 bij het evenement ‘Gezellig op de Mert’ in Eindhoven een overtreding van de Wpbr is begaan, namelijk het tewerkstellen van vier personen zonder een geldige toestemming op naam van [naam bedrijf] , en dat die overtreding aan [naam bedrijf] als houder van de vergunning is toe te rekenen. De minister heeft eiser bij brief van 4 november 2019 in kennis gesteld van de geconstateerde overtreding, waarbij hij heeft aangegeven van plan te zijn om aan [naam bedrijf] een bestuurlijke boete op te leggen van € 8.000,= (4 x € 2.000,=). Eiser heeft daartegen zijn zienswijze naar voren gebracht. Vervolgens heeft de minister bij besluit van 31 december 2019 (primair besluit) een bestuurlijke boete aan eiser opgelegd van € 4.000,= (2 x € 2.000,=) voor het tewerkstellen van twee personen, terwijl deze niet voldeden aan de opleidingseisen (certificaat Event Security Officer of algemeen beveiligingsdiploma). Voor de andere twee personen heeft de minister van het opleggen van een boete afgezien in verband met de door eiser in zijn zienswijze geschetste bijzondere omstandigheden. Bij het bestreden besluit heeft de minister de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. De minister heeft daarbij het primaire besluit in stand gelaten. Omvang geding/bevoegdheid 2. De rechtbank dient te beoordelen of de minister op goede gronden een bestuurlijke boete aan eiser heeft opgelegd. De rechtbank stelt vast dat eiser niet betwist dat hij de overtreding heeft begaan op 14 juni 2019. Eiser heeft geen beroepsgronden ingebracht met betrekking tot de inhoud van het ambtsbericht van de korpschef. Dat betekent dat de minister van de inhoud van dat ambtsbericht heeft mogen uitgaan, dat er op 14 juni 2019 een evenement heeft plaatsgevonden op de Markt te Eindhoven en dat eiser daar twee personen te werk heeft gesteld die zijn opgeleid als horecaportier (blauw legitimatiebewijs) en dat deze personen geen toestemming hadden om als evenementenbeveiliger te werken (grijs legitimatiebewijs). Dat betekent dat de minister bevoegd moet worden geacht om een bestuurlijke boete aan eiser op te leggen. In geschil is de hoogte van de boete en – in verband daarmee – de mate van verwijtbaarheid van eiser. Beroepsgronden 3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister in dit geval had moeten afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete, dan wel dat deze had moeten worden gematigd. Eiser heeft aangevoerd dat hij geen weet droeg van de eis dat alleen beveiligers met een grijze pas werkzaam mochten zijn op het evenement. Eiser vindt dat het standpunt van de minister, dat hem duidelijk had moeten zijn dat sprake was van een evenement in de zin van de wet- en regelgeving en dat hij mitsdien beveiligers met grijze passen had moeten leveren, onder de gegeven omstandigheden onhoudbaar is. In dat verband stelt eiser dat hij geen inzage heeft gehad in de vergunning en dat hem ook niet is gemeld dat er sprake was van een evenement. Eiser verkeerde in de veronderstelling dat het een feestje betrof op initiatief van een drietal horecagelegenheden. Hij stelt juist vanuit zorgvuldigheidsoogpunt te hebben gekozen voor twee beveiligers die normaliter ook deze specifieke horecagelegenheden beveiligen. Eiser stelt verder dat de minister zijn verzoek om omzetting van de boete naar een waarschuwing ten onrechte heeft afgewezen. Eiser beroept zich daarnaast op artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) op grond waarvan de hoogte van de bestuurlijke boete in redelijke verhouding moet staan tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Eiser wijst er tot slot op dat de boete pas een half jaar na de overtreding is aangekondigd. Beoordelingskader 4. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wpbr kan de minister aan de houder van de vergunning een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 11.250,= ter zake van overtreding van regels, gesteld bij of krachtens artikel 4, vijfde of zesde lid, 6, 7, eerste, tweede of vierde lid, 8, tweede lid, 9, 10, eerste, derde of vierde lid, 11, tweede lid, of 12, eerste of tweede lid. Ingevolge artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) legt het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. In artikel 5:46, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de wet de bestuurlijke boete bepaalt die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd. In artikel 5:46, tweede lid, van de Awb is bepaald dat, tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, het bestuursorgaan de bestuurlijke boete afstemt op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Awb niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. 5. In de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 (de Beleidsregels) is uitgewerkt hoe de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van de Wpbr dient te worden toegepast. Onder paragraaf 11.1 van de Beleidsregels zijn de drie bestuurlijke sancties benoemd bij overtreding van artikel 15 van de Wpbr: een waarschuwing, een bestuurlijke boete, intrekking van de vergunning. Een waarschuwing is een effectieve en proportionele sanctie, bij zeer lichte overtredingen. Indien bij geconstateerde overtreding(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.