RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-114202-21 vonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] wonende te [adres 1] raadsman mr. M. Houweling, advocaat te Roosendaal 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juni 2021, waarbij de officier van justitie, mr. K. Simpelaar, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 tot en met 20 mei 2020 te Tilburg en/of Zundert samen met anderen voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs heeft verricht. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 1 mei 2020 en 13 mei 2020 hardware en chemicaliën voor de productie van synthetische drugs voorhanden heeft gehad. Zij baseert zich daarbij op de bevindingen in het procesdossier en de verklaring van verdachte ter zitting. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet anders kan dan dat verdachte wist was hij vervoerde. Hiermee heeft verdachte het voorwaardelijke opzet op het tenlastegelegde gehad. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, zodat verdachte vrijgesproken moet worden. Er kan niet worden vastgesteld dat verdachte in de garagebox aan de [adres 2] te Zundert is geweest. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat de goederen die op 20 mei 2020 zijn aangetroffen dezelfde goederen zijn als de goederen die op 1 en 13 mei 2020 door verdachte zijn vervoerd. De ketels op zichzelf waren geen strafbare goederen en het voorhanden hebben van de ketels kan dan ook geen voorwaardelijk opzet op de productie van synthetische drugs opleveren. Voorts kan niet worden bewezen dat er sprake is van medeplegen, omdat de nauwe en bewuste samenwerking niet kan worden aangetoond. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 1 mei 2020 met [naam 1] bij het bedrijf [bedrijf] aanwezig was en dat er in zijn bijzijn is besproken wat er in de laadbak stond. Verdachte bevond zich, zo blijkt uit de camerabeelden, samen met de andere personen achter de bus en heeft in de bus gekeken. Op 13 mei 2020 heeft verdachte een bus gehuurd en heeft hij spullen van Tilburg naar een garagebox aan de [adres 2] in Zundert gebracht. De stelling dat hij niet wist wat hij vervoerde, volgt de rechtbank niet. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij had gezien dat hij iets van metaal vervoerde. Hij reed voorzichtiger nadat de bus was volgeladen en gelet op zijn aanwezigheid op 1 mei 2020 bij de bespreking bij Jerbri metaal, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat hij wist wat hij vervoerde en waar het voor bestemd was. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet wist wat hij vervoerde. Dit kan echter niet te kloppen. Uit het observatieverslag blijkt namelijk dat is gezien dat verdachte op 13 mei 2020 rond 19:18 uur, terwijl hij onderweg was van Tilburg naar Zundert, stilstond en uit de laadruimte is gestapt. Het betroffen gebruikte ketels, waar amfetamineresten op zijn aangetroffen. De politie herkende de ketels als productieketels en rook in de garagebox amfetamine-achtige lucht. De stelling dat hij niet wist wat er in de laadruimte van de bus heeft gezeten, acht de rechtbank dan ook ongeloofwaardig. Uit de EncroChat-berichten blijkt dat [naam 1] , zijnde [naam 1] , [verdachte] als chauffeur heeft ingezet op 13 mei 2020. Op 14 mei 2020 is een inkijk geweest bij de garagebox waar verdachte zijn lading had afgezet. Er is met een zintuigversterkend middel in de garagebox gekeken. Er is toen weliswaar niet gezien dat er (drie) ketels in de garagebox stonden, maar dat sluit niet uit dat de ketels er wel hebben gestaan. Op 20 mei 2020 zijn er vervolgens wel (meer dan) drie ketels aangetroffen in de garagebox. Nadat de politie de opstelling in de garagebox heeft geruimd en dit bericht in het nieuws is verschenen, hebben [naam 2] en [naam 3] bovendien over de ketels gesproken. Zij herkennen de garagebox en de ketels als zijnde de ketels die zij hebben geregeld voor [naam 1] . Verdachte wist kortom wat hij op 1 mei 2020 en 13 mei 2020 vervoerde, te weten ketels bedoeld voor de productie van (met)amfetamine. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode voorbereidingshandelingen heeft verricht. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 mei 2020 tot en met 20 mei 2020 te Tilburg en Zundert, om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet (te weten het opzettelijk bereiden, vervaardigen van één of meer hoeveelhe(i)d(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.