RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02/254877-19 Vonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2021 in de strafzaak tegen [Verdachte] geboren op [Geboortedag] 1987 te [Geboorteplaats] , ingeschreven op het adres [Adres] raadsman: A.H.J. Bals, advocaat te Kloetinge. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2021, waarbij de officier van justitie, mr. I.H.C.M. van Dorst, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Verder is [Naam 1] reclasseringswerker, als deskundige gehoord. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan het prostitueren van een minderjarige. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Verdachte en medeverdachte [Medeverdachte] hadden al vanaf het eerste contact met de [Slachtoffer] de bedoeling om haar te prostitueren, hetgeen blijkt uit de door hen verrichte handelingen. Zij hebben daarbij nauw en bewust samengewerkt zodat ook het tenlastegelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen is. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 19 oktober 2019 tot en met 23 oktober 2019 te Goes en Middelburg en Vlissingen en Zierikzee tezamen en in vereniging met een ander A) een ander, te weten [Slachtoffer] (geboren op [Geboortedag slachtoffer] 2002) - heeft geworven, vervoerd, overgebracht en gehuisvest, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [Slachtoffer] (sub 2˚) en - ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die [Slachtoffer] handelingen heeft ondernomen waarvan verdachte en verdachtes mededader wisten dat die [Slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die seksuele handelingen (sub 5˚) en B) telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van die [Slachtoffer] (geboren op [Geboortedag slachtoffer] 2002), met een derde tegen betaling (sub 8˚), immers heeft verdachte en/of zijn mededader - die [Slachtoffer] onderdak geboden in zijn woning en - erotische foto's van die [Slachtoffer] gemaakt (gekleed in lingerie) en advertenties geplaatst of laten plaatsen van die [Slachtoffer] waarin seksuele diensten met die [Slachtoffer] werden aangeboden en - die [Slachtoffer] meermalen in de gelegenheid gebracht tot het verrichten van seks tegen betaling/prostitutiewerkzaamheden en daartoe afspraken gemaakt of laten maken en - die [Slachtoffer] meermalen in een auto meegenomen en vervoerd naar een locatie waar zij seks zou hebben met een klant en - het door [Slachtoffer] verdiende geld ingenomen en beheerd en - zorg gedragen voor begeleiding en toezicht op de prostitutiewerkzaamheden van die [Slachtoffer] en - de prijzen bepaald waartegen die [Slachtoffer] seksuele handelingen zou verrichten met de klanten terwijl die [Slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 3 jaar. Zij heeft voorts gevorderd de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen en daarbij een contactverbod met [Slachtoffer] , in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, en deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte tot niet meer te veroordelen dan een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en tot een deels voorwaardelijke straf, met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich in oktober 2019, samen met zijn toenmalige vriendin [Medeverdachte] , schuldig gemaakt aan mensenhandel door uitbuiting via prostitutie van [Slachtoffer] die toen 17 jaar oud was. Verdachte en [Medeverdachte] hebben [Slachtoffer] enkele dagen opgenomen in hun woning, waar foto’s zijn gemaakt van [Slachtoffer] in lingerie. Deze foto’s zijn op diverse sekssites gezet en er zijn seksafspraken gemaakt. In drie dagen tijd is [Slachtoffer] door verdachte en [Medeverdachte] naar vier seksafspraken gebracht, waarbij [Slachtoffer] steeds het door klanten betaalde bedrag heeft afgedragen aan verdachte en [Medeverdachte] . Verdachte heeft zich door zo te handelen schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten gedurende lange tijd psychische en emotionele schade kunnen ondervinden. Ook [Slachtoffer] geeft aan dat zij last heeft van wat haar is overkomen, zoals beschreven in de brief van 2 maart 2021 van [Naam 2] . Daarin is te lezen dat [Slachtoffer] kampt met schaamte, angstklachten en slaapproblemen en dat zij moeite heeft met het inschatten van de betrouwbaarheid van mensen. [Slachtoffer] wil therapie gaan volgen, maar is bang dat haar klachten zullen verergeren als zij deze stap zet. Zij zit nog midden in het proces van herstel. Bij het bepalen van de (hoogte van de) straf houdt de rechtbank rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Gelet hierop is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur het uitgangspunt, zoals door de officier van justitie is geëist. De rechtbank komt echter tot een lagere straf, gezien het navolgende. Het eerste contact van verdachte met [Slachtoffer] is ontstaan doordat [Medeverdachte] (zelf net18 jaar oud ten tijde van het plegen van het feit) en [Slachtoffer] elkaar al langer kenden en vriendschappelijk contact met elkaar hadden. Zij heeft zelf verklaard dat [Medeverdachte] haar had gevraagd of zij seks wilde hebben tegen betaling en [Slachtoffer] wilde dat wel. Er is in die zin geen dwang of geweld gebruikt jegens [Slachtoffer] . Daarnaast is de periode en het aantal keren dat [Slachtoffer] is geprostitueerd van beperkte omvang. In een tijdsbestek van enkele dagen heeft [Slachtoffer] vier seksafspraken gehad. Zowel verdachte als [Medeverdachte] hebben een onmisbare rol vervuld bij het plegen van het feit. Hoewel [Medeverdachte] de initiatiefnemer lijkt te zijn geweest (zij had de wens om een eigen escortbureau te runnen), acht de rechtbank met name het handelen van verdachte bijzonder kwalijk. Hij was ten tijde van het plegen van het feit 31 jaar oud en had als volwassen man beter moeten weten. De rechtbank slaat voorts acht op de rapportages die over verdachte zijn opgemaakt, in het bijzonder op het reclasseringsadvies van 17 december 2019 en het voortgangsverslag van 4 maart 2021. De reclassering schat het recidiverisico in als laag-gemiddeld. Zij adviseert oplegging van een deels voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld een aantal bijzondere voorwaarden te weten reclasseringstoezicht en ambulante behandeling bij Forensische Zorg Zeeland. Deze ambulante behandeling heeft reeds een aanvang genomen waarvan verdachte inmiddels ook de meerwaarde ziet. Het voorgaande is op de zitting door de deskundige onderschreven. In het voordeel van verdachte wordt meegewogen dat het een feit uit 2019 betreft en dat hij al sinds 22 januari 2020 in een schorsingstoezicht loopt, zonder dat zich noemenswaardige incidenten hebben voorgedaan. Alles afwegende, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 89 dagen voorwaardelijk, passend en geboden. Gelet op de periode die verdachte al in een schorsingstoezicht loopt, verbindt de rechtbank een proeftijd van één jaar aan het voorwaardelijk strafdeel. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht dient in mindering te worden gebracht op het onvoorwaardelijk strafdeel. Dit betekent dat verdachte niet terug naar de gevangenis hoeft. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. Gezien de ernst van het feit, de rol van verdachte en de omstandigheid dat hij – in tegenstelling tot de net volwassen medeverdachte - het bewezenverklaarde feit als 31 jarige volwassen man heeft gepleegd zal de rechtbank verdachte daarom tevens veroordelen tot een taakstraf van 150 uur. Voor oplegging van een contactverbod met [Slachtoffer] , zoals de officier van justitie heeft gevorderd, ziet de rechtbank geen aanleiding. Sinds het plegen van het feit heeft verdachte geen contact meer gehad met [Slachtoffer] en verdachte heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij daar ook geen enkele behoefte aan heeft. 7De benadeelde partij De benadeelde partij [Slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 5.888,00, waarvan € 888,00 ter zake van materiële schade en € 5.000,00 ter zake van immateriële schade. De gevorderde vergoeding voor de materiële schade De rechtbank is tot een bewezenverklaring gekomen van het ten laste gelegde. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld naar de benadeelde partij toe en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. De gevorderde vergoeding ter hoogte van € 200,00 voor de kapotte telefoon acht de rechtbank toewijsbaar. Deze schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De gevorderde vergoeding ter hoogte van € 600,00 voor gederfde inkomsten zal worden afgewezen. Deze gelden zijn onrechtmatig verdiend door de benadeelde partij en komen derhalve niet voor vergoeding in aanmerking. De gevorderde vergoeding ter hoogte van € 88,00 voor vermiste goederen zal worden afgewezen, nu de rechtbank van oordeel is dat deze gestelde schade niet in voldoende verband staat met het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Het voorgaande betekent dat de rechtbank in totaal een bedrag van € 200,00 zal toewijzen ter zake van materiële schade. De gevorderde vergoeding voor de immateriële schade De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vordering ter hoogte van € 5.000,00 ter zake van immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu het dossier aanwijzingen bevat dat [Slachtoffer] reeds met psychische problematiek kampte zodat voor een gedegen beoordeling nader onderzoek noodzakelijk is. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering. Deze vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Hoofdelijkheid De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door de mededader is betaald, en andersom. De schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 23 oktober 2019. 8Het beslag 8.1 De verbeurdverklaring De volgende in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring: personenauto
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.