RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, meervoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers BRE 17/6288 tot en met 17/6294 uitspraak van 8 juli 2021 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringwet (Zvw) voor de daarbij vermelde jaren opgelegd en daarbij de volgende boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente (tot en met het jaar 2011) en beschikking belastingrente (vanaf het jaar 2012) gegeven: Zaaknr. Soort Jaar Aanslagnr. (volgend op [aanslagnummer]) Dagtekening Belastbaar inkomen box 1/ bijdrage-inkomen Belastbaar inkomen box 3 Rente Boete 17/6288 IB/PVV 2010 H.07 29-03-2014 € 191.525 € 787 € 7.960 € 46.239 17/6289 Zvw 2010 W.07 15-03-2014 € 190.383 € 144 17/6290 IB/PVV 2011 H.16.01 11-04-2014 € 156.294 € 717 € 4.415 € 27.345 17/6292 IB/PVV 2012 H.26.01 31-05-2014 € 211.406 € 8.566 € 2.900 € 40.767 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de in 1.1. bedoelde (navorderings)aanslagen en beschikkingen. 1.3. Bij uitspraak op bezwaar is het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2010 ongegrond verklaard. De bezwaren tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV voor de jaren 2010 tot en met 2012 zijn gegrond verklaard. Waarbij voor het jaar 2010 het belastbaar inkomen uit werk en woning is verminderd tot € 177.797, de heffingsrente tot € 7.325 en de boete tot € 35.000, voor het jaar 2011 is de boete verminderd tot € 20.000 en voor het jaar 2012 is het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd tot € 191.140, de belastingrente tot € 2.544 en de boete tot € 25.000. Verder is een kostenvergoeding toegekend van in totaal € 488. 1.4. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 3 september 2017, ontvangen bij de rechtbank op 13 september 2017, beroepen ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. Belanghebbende heeft in het kenmerk van het beroepschrift ook de aanslagnummers [aanslagnummer].W.16.01, [aanslagnummer].W.26.01 en [aanslagnummer].W.074 genoemd. De rechtbank heeft hier respectievelijk de zaaknummers 17/6291, 17/6293 en 17/6294 aan toegekend. Bij brief van 12 oktober 2017 is het beroep inzake [aanslagnummer].W.26.01, zaaknummer 17/6293 ingetrokken. Bij brief van 28 januari 2018 heeft belanghebbende, naar de rechtbank begrijpt, verzocht om een proceskostenvergoeding voor dit beroep. 1.5. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Belanghebbende heeft op 26 en 28 juni 2020 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur. 1.7. Belanghebbende heeft op 1 en 3 juli 2020 aan de rechtbank laten weten dat éénentwintig getuigenoproepingen zijn verstuurd. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur. 1.8. Een eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2020 te Breda. Voor een overzicht van de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting, dat op 21 september 2020 aan partijen is verzonden. De rechtbank heeft aan het einde van de zitting het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek heropend. 1.9. Belanghebbende heeft op 14 mei 2021 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur. 1.10. Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2021 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde mr. S.B.M.A. Engelen verbonden aan Lina advocaten te Venlo en namens de inspecteur, [inspecteur 1], [inspecteur 2] en [inspecteur 3]. 1.11. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan belanghebbende. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift gelijktijdig met het afschrift van deze uitspraak aan partijen zal worden toegezonden. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1. Belanghebbende heeft over de jaren 2010 tot en met 2012 aangiften IB/PVV ingediend. 2.2. De definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 is conform de aangifte opgelegd. 2.3. In 2012 is een strafrechtelijk onderzoek gestart met de naam ‘[onderzoek]’. Het onderzoek was gericht op het ontdekken van het telen en verkopen van softdrugs en op het witwassen van gelden. Belanghebbende is één van de verdachten in het onderzoek. 2.4. In het kader van het strafrechtelijk onderzoek heeft op 5 februari 2013 een doorzoeking van de woning van belanghebbende plaatsgevonden. Daarbij is in totaal een bedrag van € 76.800 aan contanten aangetroffen en in beslag genomen. Het grootste deel van dat bedrag is gevonden op de vliering van de woning achter een vastgeschroefde plank. Tijdens de doorzoeking zijn verder diverse bonnen en facturen aangetroffen van contante uitgaven. Onder meer is bij de doorzoeking een factuur aangetroffen van 15 februari 2011 op naam van belanghebbende betreffende de aankoop van een Audi S4 voor een bedrag van € 49.500 bij Volkswagen Zentrum Marzahn/ASB Autohaus Berlin GmbH te Berlijn. Op de factuur staat vermeld dat contant is betaald. 2.5. De inspecteur heeft op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) informatie verkregen uit het strafrechtelijk onderzoek. 2.6. Naar aanleiding van de verkregen informatie heeft de inspecteur een onderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV 2010 tot en met 2012 van belanghebbende. Dit onderzoek heeft geresulteerd in een conceptrapport met datum 23 september 2013. Hierop heeft de gemachtigde van belanghebbende gereageerd per brief van 25 september, 16 oktober en 28 november 2013. Het definitieve rapport (hierna: het rapport) is gedagtekend op 10 januari 2014. 2.7. In het rapport heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbende resultaat uit overige werkzaamheden heeft genoten ter hoogte van de volgende bedragen: 2010 2011 2012 Aangegeven belastbaar inkomen € 1.142 € 13.504 € 52.712 correctie contant geld € 70.000 correctie fictief salaris/ onkostenvergoeding € 5.133 € 61.600 € 61.600 correctie kasopstelling € 14.494 correctie vermogensvergelijking € 176.250 € 68.590 correctie Nibudnormen € 9.000 € 12.600 € 12.600 Vastgesteld belastbaar inkomen € 191.525 € 156.294 € 211.406 2.8. In het rapport kondigt de inspecteur voor de jaren 2010 en 2011 vergrijpboeten van 50% van de na te vorderen IB/PVV aan. 2.9. Het rapport bevat een vermogensvergelijking en een kasopstelling van de inkomsten en uitgaven van belanghebbende over de jaren 2010 tot en met 2012. Voor het opstellen van de vermogensvergelijking en de kasopstelling heeft de inspecteur, naast de gegevens die bij de belastingdienst bekend zijn, mede gebruik gemaakt van verkregen informatie uit het strafrechtelijk onderzoek. 2.10. In de kennisgeving uitspraak op bezwaar voor het jaar 2010 met dagtekening 18 augustus 2017 is het belastbaar inkomen verminderd. Dienaangaande heeft de inspecteur het volgende overwogen: “Op basis van het bovenstaande heb ik de uitgaven voor de verbouwing berekend op: Scheepers: 3 x € 11.900 -/- € 768 € 34.932 Geschatte overige kosten € 25.000 € 59.932 Uitgaven volgens het controlerapport € 73.660 Ik zal dan ook de in de kasopstelling meegenomen uitgaven aan verbouwing van de woning verminderen met € 13.728.” 2.11. In de kennisgeving uitspraak op bezwaar voor het jaar 2011 met dagtekening 18 augustus 2017 is het belastbaar inkomen verminderd. Daarover heeft de inspecteur het volgende overwogen: “Eerder vastgestelde "correctie negatief privé" € 167.260 Herzien: - Ford Ka € 12.000 - Onjuist doorgevoerde correctie € 8.566 € 20.566 -/- Nieuw vastgesteld "correctie negatief privé" € 146.994” 3Geschil 3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen: I. Is sprake van een rechtsgeldige intrekking van het beroep inzake aanslagnummer [aanslagnummer].W.26.01 en bestaat dienaangaande recht op een proceskostenvergoeding? II. Zijn de beroepen inzake de aanslagnummers [aanslagnummer].W.16.01 en [aanslagnummer].W.074 ontvankelijk? III. Zijn de (navorderings)aanslagen IB/PVV voor de jaren 2010 tot en met 2012 en de navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2010 terecht en niet tot te hoge bedragen aan belanghebbende opgelegd? IV. Zijn de boeten terecht en niet tot te hoge bedragen opgelegd? Tussen partijen is niet langer in geschil dat de boete voor het jaar 2012 moet worden vernietigd. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en op de zittingen. 3.3. Belanghebbende concludeert – naar de rechtbank begrijpt – tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging dan wel vermindering van de onderhavige (navorderings)aanslagen, boeten en heffings-/belastingrentebeschikkingen en toekenning van een (integrale) proceskostenvergoeding. De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep met betrekking tot de boete 2012, tot niet-ontvankelijkverklaring van de onder II genoemde beroepen en tot ongegrondverklaring van de beroepen voor het overige. 4Beoordeling van het geschil Vraag I: Intrekking/proceskosten inzake aanslagnummer [aanslagnummer].W.26.01 4.1. Belanghebbende heeft bij brief van 12 oktober 2017 het beroep inzake de aanslag [aanslagnummer].W.26.01 ingetrokken. Die intrekking is ondubbelzinnig en zonder voorbehoud gedaan, zodat de rechtbank die zaak als ingetrokken beschouwt. Voor zover belanghebbende met de brief van 28 januari 2018 heeft bedoeld om dienaangaande te verzoeken om een proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75a van de Awb, wijst de rechtbank dat verzoek af. Aan de vereisten van genoemd artikel is niet voldaan, nu het verzoek om proceskostenvergoeding niet gelijktijdig met de intrekking is gedaan en voorts geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat de zaak is ingetrokken omdat geheel of gedeeltelijk tegemoet is gekomen door de inspecteur. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat de inspecteur onweersproken heeft gesteld dat de genoemde aanslag niet is opgelegd. Vraag II: Ontvankelijkheid beroepen inzake aanslagnummers [aanslagnummer].W.16.01 en [aanslagnummer].W.074 4.2. Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift de aanslagnummers [aanslagnummer].W.16.01 en [aanslagnummer].W.074 genoemd. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat de aanslagen met deze nummers niet bestaan. Belanghebbende heeft dit niet weersproken. Ook heeft belanghebbende geen uitspraken op bezwaar overgelegd die zien op deze aanslagen en is ook niet aannemelijk dat die uitspraken op bezwaar bestaan. Gelet hierop dienen de beroepen niet-ontvankelijk te worden verklaard. Vraag III: Navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2010 Is sprake van een navorderingsgrond? 4.3. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur een navorderingsaanslag opleggen als enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bewijslast voor de feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een nieuw feit dan wel kwade trouw, rust op de inspecteur. 4.4. Naar het oordeel van de rechtbank vormt de informatie die is verkregen op grond van artikel 55 van de AWR een nieuw feit. Die informatie is immers pas bekend geworden na vaststelling van de definitieve aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2010. Belanghebbende stelt dat de informatie die de inspecteur heeft gekregen op grond van artikel 55 van de AWR niet zonder meer kan kwalificeren als een nieuw feit, omdat er geen sprake is geweest van een door de inspecteur zorgvuldig uitgevoerd onderzoek, nu belanghebbende en diens belastingadviseur daarbij niet zijn betrokken. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, is de vraag of sprake is geweest van een zorgvuldig onderzoek niet van belang voor de vraag of de inspecteur al dan niet beschikte over een nieuw feit. Omkering bewijslast? 4.5. De inspecteur beroept zich voor alle jaren op omkering en verzwaring van de bewijslast omdat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan. 4.6. Op grond van artikel 27e van de AWR verklaart de rechtbank het beroep ongegrond indien – voor zover hier van belang – de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast). 4.7. De rechtbank overweegt dat de vereiste aangifte niet is gedaan indien sprake is van één of meer gebreken die er toe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Daarnaast is vereist dat het bedrag van de belasting, dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn geweest dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Bij de beoordeling of sprake is van het niet doen van de vereiste aangifte in vorenbedoelde zin moeten de normale regels van stelplicht en bewijslast worden toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank rust de hiervoor bedoelde bewijslast op de inspecteur, omdat hij stelt dat belanghebbende meer belastbare inkomsten heeft genoten dan zijn aangegeven door belanghebbende. 4.8. De inspecteur heeft in het rapport onder meer vermogensvergelijkingen en kasopstellingen opgenomen en stelt zich op grond daarvan op het standpunt dat belanghebbende meer inkomsten moet hebben genoten dan aangegeven in zijn aangiften IB/PVV en Zvw voor de jaren 2010 tot en met 2012. Uit het rapport en de vermogensvergelijkingen en kasopstellingen blijkt volgens de inspecteur dat belanghebbende meer uitgaven heeft gedaan dan hij met de door hem aangegeven inkomsten had kunnen doen. Bovendien stelt de inspecteur dat sprake is van bewustheid bij belanghebbende dat er inkomsten zijn die aangegeven hadden moeten worden. 4.9. De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in de op hem rustende last om aannemelijk te maken dat belanghebbende voor de jaren 2010 tot en met 2012 niet de vereiste aangiften heeft gedaan en overweegt daartoe als volgt. 4.10. De rechtbank stelt voorop dat een vermogensvergelijking en een kasopstelling geschikte methoden kunnen zijn om aannemelijk te maken dat er niet-aangegeven contant verdiend inkomen is. De door de inspecteur toegepaste correctie voor het jaar 2010 is voor het grootste deel gebaseerd op de vermogensopstelling. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige vermogensopstelling adequaat is opgesteld. De vermogensopstelling is grotendeels gebaseerd op objectieve en verifieerbare gegevens over contante inkomsten en uitgaven. Het grootste gedeelte van de correcties bestaat uit contante uitgaven waarvan bonnetjes en onderliggende bescheiden bij de doorzoeking van de woning van belanghebbende zijn aangetroffen. Voor het jaar 2011 bestaat een aanmerkelijk gedeelte van de in aanmerking genomen uitgaven in de vermogensopstelling uit het bedrag dat contant is betaald voor de Audi S4. De factuur van de aanschaf is eveneens bij de doorzoeking aangetroffen. Voor het jaar 2012 bestaat de correctie van het inkomen voor een aanmerkelijk gedeelte uit het geldbedrag dat is aangetroffen bij de doorzoeking van de woning op 5 februari 2013. De inspecteur stelt dat er € 70.000 toegerekend dient te worden aan het jaar 2012. Belanghebbende heeft het jaar van toerekening van de aangetroffen contanten niet betwist. De rechtbank acht belanghebbendes verklaring dat de contante uitgaven en het aangetroffen geldbedrag (volledig) verklaard worden door genoten opbrengsten van de motorsportactiviteiten of de verkopen van de motoren en onderdelen, niet geloofwaardig. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het gaat om opbrengsten die stammen uit een ver verleden en het de rechtbank, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onwaarschijnlijk voorkomt dat die gelden in de onderhavige jaren nog beschikbaar waren. Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat de volgens de aangiften verschuldigde IB/PVV zowel in absolute als in relatieve zin aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde IB/PVV. De rechtbank acht – gelet op de omvang van de gedane contante uitgaven – ook aannemelijk dat belanghebbende ten tijde van het indienen van de aangiften zich ervan bewust was dat door het niet vermelden van de door hem genoten inkomsten, een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting en premies niet zou worden geheven. Het voorgaande geldt eveneens voor de Zvw. Bij het oordeel dat het bedrag van de Zvw dat op basis van de aangifte niet zou zijn geheven op zichzelf beschouwd aanzienlijk is, neemt de rechtbank in aanmerking dat het bij Zvw-bedrag in het algemeen om lagere bedragen gaat dan bij de IB/PVV als gevolg van het lagere tarief. 4.11. Gelet op de constateringen in het rapport is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur het inkomen uit onbekende bron terecht heeft aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden. Redelijke schatting 4.12. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende de vereiste aangiften IB/PVV/Zvw voor de jaren 2010 tot en met 2012 niet heeft gedaan, is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. In dat geval dient de rechtbank te beoordelen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.