← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2021:3513

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 20/7448 uitspraak van 8 juli 2021 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van de inspecteur op het bezwaar van belanghebbende tegen de belastingrente van € 400 die aan belanghebbende in rekening is gebracht bij de over het jaar 2017 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen ( [aanslagnummer] ), berekend over de periode van 1 juli 2018 tot en met 21 februari 2019, met inachtneming van het vijfde lid van artikel 30fc van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2021 te Roermond. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende en namens de inspecteur [inspecteur] . Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank direct mondeling uitspraak gedaan. Daarbij is gewezen op de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen.

  1. Beslissing en motivering 1.
  2. Deze zaak gaat over de belastingrente van € 400 die in rekening is gebracht bij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar
  3. Tussen partijen is niet in geschil dat de belastingrente op basis van de wettelijke bepalingen terecht in rekening is gebracht. Volgens belanghebbende dient de belastingrente op basis van de voorgeschiedenis echter achterwege te blijven. 1.
  4. Op basis van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan een juiste wetstoepassing onder omstandigheden achterwege blijven. Hier valt echter geen verwijt te maken aan de Nederlandse Belastingdienst. Belanghebbende erkent dat ook. In zoverre is er daarom geen reden om af te wijken van een juiste wetstoepassing. 1.
  5. Het gaat er belanghebbende vooral om dat hij zélf heeft gemeld dat meer belasting in Nederland moet worden geheven vanwege een inmiddels andersluidende standpunt van de Belgische belastingdienst en hij het gevoel heeft daarvoor gestraft te worden doordat hem € 400 in rekening wordt gebracht. Belanghebbende spreekt in dat kader over een boete. De rechtbank begrijpt dat het zo kan voelen, maar er is geen sprake van een boete, maar van rente die in rekening is gebracht omdat eerder te weinig belasting is geheven. 1.
  6. Een ander punt van belanghebbende is dat sprake is van onduidelijkheid over het begrip “vaste basis’ op grond waarvan geheven wordt in België. Later is hem duidelijk geworden dat België niet het heffingsrecht had, nadat hij daarover contact gehad met de Belgische belastingdienst. Ook dat zijn geen redenen dat de inspecteur geen belastingrente in rekening mag brengen, omdat die omstandigheden niets te maken hebben met de Nederlandse Belastingdienst. Verder, ook indien een fiscaal begrip onduidelijk is waardoor eerder te weinig is geheven, biedt de renteregeling geen mogelijkheid om op grond daarvan belastingrente achterwege te laten. 1.
  7. De rechtbank verklaart daarom het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier, op 8 juli 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR). Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
  8. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.