RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02/189094-20 vonnis van de meervoudige kamer van 28 januari 2021 in de strafzaak tegen [Verdachte] geboren op [Geboortedag verdachte] 1992 te [Geboorteplaats verdachte] wonende te [Adres verdachte] gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Dordrecht raadsman mr. W.J. Backer, advocaat te Rotterdam 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 januari 2021, waarbij de officier van justitie, mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat hij mevrouw [Slachtoffer 1] heeft gedood door een verkeersongeval te veroorzaken na een straatrace en onder invloed van cannabis. Als feit 2 is tenlastegelegd rijden onder invloed. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs Op 10 juni 2020, omstreeks 17:30 uur, heeft op de Burgemeester van Woelderenlaan te Vlissingen een verkeersongeval plaatsgevonden. Bij dit ongeval waren twee personenauto’s en een persoon in een rolstoelfiets betrokken. Verdachte reed als bestuurder van een witte Volkswagen Golf, met hoge snelheid over de Burgemeester van Woelderenlaan te Vlissingen. Ter hoogte van de Paauwenburgweg stak het slachtoffer, mevrouw [Slachtoffer 1] , in haar rolstoelfiets de Burgemeester van Woelderenlaan over. De bestuurder van de witte Volkswagen Golf raakte daarbij de rolstoelfiets van mevrouw [Slachtoffer 1] en kwam daarna in botsing met een Fiat Punto, bestuurd door de heer [Slachtoffer 2] , die in tegengestelde richting over de Burgemeester van Woelderenlaan reed en rechtsaf sloeg de Paauwenburgweg in. De witte Volkswagen Golf kwam verderop tegen een boom tot stilstand. Mevrouw [Slachtoffer 1] is aan de gevolgen van dit verkeersongeval overleden. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag in het verkeer, dan wel dat hij schuld heeft aan het fatale verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Daarnaast dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan rijden onder invloed in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat hier sprake was van doodslag omdat verdachte onder invloed van cannabis heeft deelgenomen aan een straatrace en hierbij met extreem hoge snelheden heeft gereden binnen de bebouwde kom. Hij heeft daarbij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een dodelijk ongeval zou veroorzaken. Ook acht de officier van justitie feit 2 bewezen, dat verdachte onder invloed heeft gereden. Verdachte heeft verklaard de avond ervoor en in de middag een joint te hebben gerookt. Nu de speekseltest positief was op THC en verdachte vervolgens tot drie maal toe een bloedproef heeft geweigerd, kan gesteld worden dat hij in een toestand verkeerde waarin hij geen voertuig mocht besturen. Uit het dossier kan ook worden afgeleid dat verdachte regelmatig cannabis gebruikte. De kans dat zijn bloedwaarden daarom te hoog waren, is groot. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van doodslag en wijst er daarbij op dat ook in voorwaardelijke vorm geen sprake was van opzet. Er was geen sprake van een straatrace en verdachte was niet zodanig onder invloed dat hij niet in staat was een voertuig behoorlijk te besturen en de verkeerssituatie was overzichtelijk. Er kan niet worden gesproken van roekeloosheid. Ten aanzien van feit 2 stelt de verdediging dat er geen wettig bewijs is dat verdachte onder invloed was zoals bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna te noemen: WVW 1994). 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Feit 1 Feitelijke gedragingen en omstandigheden Uit de verklaringen van verdachte en diverse getuigenverklaringen is voldoende vast komen te staan dat verdachte korte tijd voorafgaand aan het ongeval, komend uit de richting van de Boulevard bij verkeerslichten achter een soortgelijke snelle witte Volkswagen Golf is komen te staan om linksaf de Burgemeester van Woelderenlaan op te rijden. Vervolgens is verdachte achter die andere witte Volkswagen Golf aan de Burgemeester van Woelderenlaan af gereden, zijn beide auto’s aan het einde van die laan, nog steeds achter elkaar aanrijdend, een rotonde geheel rondgereden om weer terug te rijden over hetzelfde traject, waarbij verdachte op enig moment die andere Volkswagen Golf heeft ingehaald. Direct na de inhaalmanoeuvre zag verdachte de rolstoelfiets van mevrouw [Slachtoffer 1] bij een fietsoversteekplaats de weg oprijden. Hij heeft toen uit alle macht geremd om een ongeval te voorkomen. Straatrace Uit de diverse getuigenverklaringen, van getuigen die zich op uiteenlopende locaties langs het door de beide witte Volkswagen Golfjes afgelegde traject bevonden, alsmede het verkeersongevallenonderzoek blijkt dat verdachte en de bestuurder van de andere witte Volkswagen Golf op een relatief lang traject op de Burgemeester van Woelderenlaan in Vlissingen achter elkaar hebben gereden. Ze reden dicht achter elkaar, getuigen spreken hierbij over bumper aan bumper. Beide auto’s reden met zeer hoge snelheid, daarbij raakte tenminste één van de auto’s met de onderzijde een verkeersdrempel, hetgeen voor de betreffende bestuurder kennelijk geen reden was om zijn snelheid te matigen. Ze reden zeer veel harder dan de maximaal toegestane snelheid. Beide auto’s zijn na de rotonde teruggekeerd op dezelfde weg, waarna op nog hogere snelheid een inhaalmanoeuvre plaatsvond. Door de combinatie van deze gedragingen is de rechtbank van oordeel dat verdachte en de andere bestuurder competitief rijgedrag toonden en dat er dus naar de uiterlijke verschijningsvorm sprake was van een straatrace. Snelheid Uit de Data Event Recorder uit de Volkswagen Golf van verdachte is gebleken dat verdachte 6,5 seconde voordat de auto volledig tot stilstand kwam met een snelheid reed van 165 km/u. Het gaspedaal was daarbij voor 100% ingeduwd. Een halve seconde later reed verdachte 168 km/u. 4 seconden voor volledige stilstand werd het rempedaal ingeduwd en trad de ABS in werking. 1,5 seconde voor stilstand raakte de auto de rolstoelfiets van mevrouw [Slachtoffer 1] . De snelheid van de auto was toen 77 km/u. Een halve seconde later raakte de auto de Fiat Punto van de heer [Slachtoffer 2] . De auto had toen een snelheid van 49 km/u. Een seconde later kwam de Volkswagen Golf tot volledige stilstand. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de snelheden zoals ze geregistreerd zijn door de Data Event Recorder en stelt daarbij vast dat verdachte op enig moment, na correctie, tijdens de straatrace en vlak voor de aanrijding met mevrouw [Slachtoffer 1] en de heer [Slachtoffer 2] , met een snelheid van 166 km/u heeft gereden. Weeromstandigheden Ten tijde van het ongeval was het zonnig en droog weer. Verkeersomstandigheden De Burgemeester van Woelderenlaan is een lange weg waar een maximum snelheid geldt van 50 km/u. De weg bevindt zich binnen de bebouwde kom. Uit getuigenverklaringen blijkt dat er wel vaker hard wordt gereden en dat het een rustige weg betreft. Ter hoogte van de kruising met de Paauwenburgweg zijn twee oversteekplaatsen waarbij overstekend verkeer geen voorrang heeft. Verdachte heeft aangegeven dat hij wist dat de maximum snelheid 50 km/u betrof en dat hij bekend was met de weg. Uit onderzoek is gebleken dat het uitzicht voor de betreffende bestuurders door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg niet belemmerd werd door vaste obstakels. Onder invloed Verdachte heeft verklaard dat hij voor het ongeval dagelijks een joint rookte. Ook op de dag van het ongeval heeft hij om 12:00 uur ’s middags een joint gerookt. Verdachte heeft op zitting verklaard dat het drugsgebruik zijn gedrag beïnvloedde, dat hij er een ander mens van werd, en dat hij er daarom mee wilde stoppen. Hij had ook al eerder geprobeerd te stoppen. Na het ongeval is er een speekseltest bij verdachte afgenomen en hij testte positief op THC, de werkzame stof van cannabis. Een bloedtest heeft verdachte meermalen geweigerd. Op de zitting verklaarde verdachte dat hij denkt dat het blowen met het ongeval te maken heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat verdachte ten tijde van het ongeval in elk geval in enige mate onder invloed van cannabis was. Doodslag De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of sprake is van wettig en overtuigend bewijs voor doodslag. Voor doodslag is vereist dat sprake is geweest van opzet op de dood van het slachtoffer. De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat verdachte de intentie heeft gehad, het volle opzet, om mevrouw [Slachtoffer 1] van het leven te beroven. Van opzet op de dood van het slachtoffer kan echter ook sprake zijn als men zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer komt te overlijden (voorwaardelijk opzet). Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voorwaardelijk opzet aanwezig, indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat een verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan die aanmerkelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij een verdachte aanwezig is, dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte veel te hard heeft gereden op de Burgemeester van Woelderenlaan. De kans dat er iemand zou komen te overlijden acht de rechtbank aanmerkelijk gezien deze snelheid, het tijdstip waarop werd gereden, de locatie, namelijk vlakbij twee oversteekplaatsen, en de keuze van verdachte om vlak voor deze oversteekplaatsen in te gaan halen. Daaruit volgt echter niet dat verdachte die aanmerkelijke kans ook willens en wetens heeft aanvaard. Zodra verdachte de rolstoelfiets van mevrouw [Slachtoffer 1] opmerkte, is hij gelijk op de rem gaan staan en heeft hij nog geprobeerd om uit te wijken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet – ook niet in voorwaardelijke zin – heeft gehad op de dood van mevrouw [Slachtoffer 1] . De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de onder feit 1 primair ten laste gelegde doodslag. Artikel 6 WVW 1994 Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat hij schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval met de dood tot gevolg, zoals omschreven staat in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Schuld in het kader van de Wegenverkeerswet houdt in dat voor strafbaarheid minimaal sprake moet zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen. Wanneer sprake is van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid, kan dit worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer ernstige gevallen als roekeloos rijgedrag. Voor de beoordeling of sprake is van schuld moet de vraag worden gesteld of het gedrag van verdachte substantieel afwijkt van het gedrag van een voorzichtig verkeersdeelnemer. De rechtbank is van oordeel dat de feitelijke gedragingen van verdachte, zoals uiteen gezet in de bewijsmiddelen, door hun aard en de ernst van de overige omstandigheden van het geval, de conclusie rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Naar het oordeel van de rechtbank past het hierboven omschreven rijgedrag in het geheel niet bij een voorzichtig verkeersdeelnemer en wijkt het daar in substantiële mate vanaf. De vraag is of deze schuld is aan te merken als roekeloosheid. Roekeloosheid Van roekeloosheid als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 in samenhang met artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is sprake indien zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Of sprake is van roekeloosheid in deze zin zal afhangen van de specifieke omstandigheden van het geval. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moet daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, als zwaarste vorm van schuld, grenzend aan opzet, bepaaldelijk eisen worden gesteld. Uit de jurisprudentie valt af te leiden dat slechts zelden roekeloosheid kon worden aangenomen. Met de komst van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 per 1 januari 2020 is echter door de wetgever bepaald dat bepaalde verkeersgedragingen verboden zijn omdat zij levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel kunnen veroorzaken. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een aantal van de in dit artikel genoemde gedragingen, te weten gevaarlijk inhalen, inhalen voor of op een voetgangersoversteekplaats, overschrijden van de krachtens de wet vastgestelde maximumsnelheid en zeer dicht achter een ander voertuig rijden. Er was sprake van een straatrace. Bovendien neemt de rechtbank – zoals hiervoor overwogen – mede in aanmerking dat verdachte in enige mate onder invloed van cannabis was. De rechtbank is van oordeel dat het samenstel van deze gedragingen van verdachte in de gegeven omstandigheden buitengewoon onvoorzichtig was waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen doordat het overige verkeer volstrekt niet bedacht is op dergelijke gedragingen. Deze gedragingen verhogen dan ook de risico’s. Verdachte was zich er van bewust dat hij (veel) harder reed dan was toegestaan en was bekend met de verkeerssituatie ter plaatse. Desondanks heeft hij er voor gekozen om met deze veel te hoge snelheid vlak voor twee oversteekplaatsen een inhaalmanoeuvre uit te voeren op een tijdstip waarop diverse mensen op straat waren en ook deelnamen aan het verkeer. Uit dit zeer gevaarzettende en asociale rijgedrag blijkt dat de veiligheid van andere weggebruikers verdachte op dat moment onverschillig liet. Naar het oordeel van de rechtbank overstijgt het samenstel van gedragingen van verdachte in de gegeven context als vermeld dan ook de kwalificatie ‘zeer hoge mate van schuld’ en is sprake van de aan opzet grenzende mate van schuld, zijnde roekeloosheid in de zin van de wet. Het risico dat verdachte heeft genomen heeft geleid tot twee aanrijdingen en het lichamelijk letsel van de heer [Slachtoffer 2] en de dood van mevrouw [Slachtoffer 1] . Daarmee is aan het vereiste van de dubbele causaliteit voldaan. Medeplegen Zoals hierboven reeds is overwogen, heeft verdachte samen met de bestuurder van de andere witte Volkswagen Golf een straatrace gehouden. In het straatracen ligt naar het oordeel van de rechtbank vanwege de competitieve dynamiek al een nauwe en bewuste samenwerking besloten, zodat sprake is van medeplegen. Verdachte wordt vrijgesproken van het niet, althans in onvoldoende mate onder controle hebben van zijn voertuig en het in de slip geraken. De rechtbank acht hiervoor onvoldoende bewijsmiddelen in het dossier aanwezig. Feit 2 Verdachte heeft verklaard dat hij op 10 juni 2020 een joint had gerookt omstreeks 12:00 uur ‘s middags. Het ongeval vond plaats omstreeks 17:30 uur. Nadat het ongeval plaatsvond is bij verdachte een speekseltest afgenomen. De uitslag was positief op THC, de werkzame stof in cannabis. Verdachte heeft vervolgens tot drie maal toe geweigerd aan een bloedproef mee te werken. Dit levert een vermoeden op van rijden onder invloed, zoals bedoeld in artikel 8 van de WVW 1994. De rechtbank is van oordeel dat verdachte ten tijde van het ongeval wel onder invloed van cannabis was, maar dat niet is komen vast te staan dat daarbij de bij artikel 8 WVW 1994 behorende grenswaarde was overschreden. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van feit 2. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte subsidiair op 10 juni 2020 in de gemeente Vlissingen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Golf, gekentekend [Kenteken 1] ) tezamen en in vereniging met een onbekend gebleven medeverdachte, eveneens als bestuurder van een voertuig (personenauto merk Golf, kenteken onbekend), daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg de Burgemeester van Woelderenlaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [Slachtoffer 1] werd gedood, door roekeloos, in strijd met het gestelde in artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft deelgenomen aan een straatrace en - ( daarbij) gereden met een snelheid van ongeveer 166 km/u, en - ( daarbij) meermalen en/of voor langere tijd op (zeer) korte afstand achter elkaar gereden, en - ( daarbij) elkaar met hoge snelheid ingehaald, en - ( daarbij) onvoldoende op het voor hen gelegen gedeelte van die weg en het overige verkeer gelet en is blijven letten, waardoor verdachte is gebotst tegen een andere verkeersdeelnemer, te weten [Slachtoffer 1] , en vervolgens in aanrijding is gekomen met een andere verkeersdeelnemer, te weten [Slachtoffer 2] , en aldus zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor die [Slachtoffer 1] , die zich in een rolstoel op de weg bevond, werd gedood; zulks terwijl hij, verdachte, na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet en zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij de bij de wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden en doordat hij zeer dicht achter een ander voertuig is gaan rijden en doordat hij geen voorrang heeft verleend en doordat hij gevaarlijk heeft ingehaald; Tengevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging, is in de 17e regel van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde weggevallen het woord “is”. De rechtbank herstelt deze omissie en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek en daarnaast een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van vijf jaar. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit om de oriëntatiepunten van artikel 6 WVW94 te volgen en maximaal zes maanden gevangenisstraf op te leggen, subsidiair naast de reeds uitgezeten voorlopige hechtenis een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De verdediging wijst er daarbij op dat verdachte een first offender is en de kans wil krijgen om zich, in nagedachtenis van mevrouw [Slachtoffer 1] , in te zetten voor de maatschappij. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft een dodelijk ongeval veroorzaakt door samen met een onbekend gebleven ander een straatrace te houden in de bebouwde kom, op klaarlichte dag, terwijl hij enkele uren daarvóór een joint had gerookt. Door het ongeval is mevrouw [Slachtoffer 1] komen te overlijden. Daarnaast is een aanrijding veroorzaakt met de heer [Slachtoffer 2] die eveneens slachtoffer is en tot op heden nog last ondervindt van het ongeluk. Het leed dat verdachte heeft veroorzaakt is zeer ingrijpend en op veel gebieden onherstelbaar. Een zeer ernstig feit, waarbij niet alleen de slachtoffers, de nabestaanden, de vrienden en familie van de slachtoffers hard zijn getroffen, maar waar ook de maatschappij geschokt op heeft gereageerd. De rechtbank spreekt haar waardering uit voor de wijze waarop de ouders van mevrouw [Slachtoffer 1] en de heer [Slachtoffer 2] hun gevoelens onder woorden hebben weten te brengen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het graag zou terugdraaien en dat het hem erg spijt. De rechtbank gelooft dat deze spijt oprecht is, maar stelt daarnaast vast dat verdachte ten aanzien van de feiten niet het achterste van zijn tong heeft willen laten zien. Met name ten aanzien van de straatrace blijven er vragen die ook ter zitting onbeantwoord zijn gebleven. Wie was de andere bestuurder, wat ging er in verdachte om, waarom deed hij dit? De rechtbank is van oordeel dat een forse, onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is, gelet op de ernst van dit feit en de impact ervan op de samenleving. Binnen de door de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten is geen afzonderlijk oriëntatiepunt voor roekeloosheid omdat deze gevallen te casuïstisch zijn. De rechtbank heeft dus aansluiting gezocht bij in de jurisprudentie voorkomende vergelijkbare gevallen en daarnaast in aanmerking genomen dat roekeloosheid een verdubbeling van het strafmaximum oplevert. In aanmerking genomen dat in dit geval sprake is van twee slachtoffers, waarvan één dodelijk slachtoffer, en van het weigeren medewerking te verlenen aan een bevel tot medewerking aan de bloedproef, en dus van strafverzwarende omstandigheden in de zin van artikel 175, tweede en derde lid, van de WVW 1994, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaar passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast acht de rechtbank het passend en geboden, gelet op de aard en de ernst van het feit, om aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen voor de maximale duur, te weten 5 jaar, met aftrek van de periode dat het rijbewijs van verdachte reeds is ingehouden. Hiermee wordt niet alleen beoogd verdachte te doordringen van het feit dat zijn rijgedrag buitengewoon onveilig was voor de medeweggebruikers, maar ook om weggebruikers voor langere tijd te beschermen tegen dit rijgedrag. De rechtbank acht weliswaar feit 2 niet bewezen, maar heeft gelet op de ernst van het feit en de impact daarvan toch de eis van de officier van justitie gevolgd. 7De wettelijke voorschriften De beslissing berust op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 8De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit; Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: Medeplegen van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaar; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf; Bijkomende straffen - veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van vijf jaar. - bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging. Dit vonnis is gewezen door mr. N. Van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter, mr. E.J. Zuijdweg en mr. I. Barendregt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.P.A.J. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 28 januari 2021. Mr. Barendregt en mr. Joosen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I De tenlastelegging 1 hij op of omstreeks 10 juni 2020 in de gemeente Vlissingen, in elk geval in Nederland, opzettelijk [Slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Golf, gekentekend [Kenteken 1] ) tezamen en in vereniging met een onbekend gebleven medeverdachte, eveneens als bestuurder van een voertuig (personenauto merk Golf, kenteken onbekend), althans alleen, daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.