RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02-122941-20 (ontneming) Vonnis van de rechtbank van 22 juli 2021 in de ontnemingszaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , raadsman mr. M.A. Buntsma, advocaat te Breda. 1De procedure Betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van heden veroordeeld voor – kort gezegd – het medeplegen van het bewerken en verwerken van cocaïne in een cocaïnebewerkingslaboratorium (feit 1) en het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid cocaïne (feit 3) tot de in die uitspraak vermelde straf. De officier van justitie heeft bij vordering van 3 december 2020 gevorderd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, wordt vastgesteld op een bedrag van € 80.000,- en aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 en 18 juni 2021 en 8 juli 2021, waarbij de officier van justitie, mr. J.J. Schreurs, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De officier van justitie heeft daarbij de vordering gewijzigd tot een bedrag van € 50.000,-. 2Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op de ontnemingsrapportage, te weten de kasopstelling. De vordering is gebaseerd op artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht. 3Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene zijn geld op legale wijze heeft verdiend en dat niet aannemelijk is dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft genoten van € 20.855,- en € 3.370,- dat hij op zijn rekening heeft gestort. 4Het oordeel van de rechtbank 4.1 Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank is van oordeel dat naar aanleiding van de vordering, het dossier en het onderzoek ter terechtzitting het aannemelijk is dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de baten van het onder 1 in de strafzaak bewezen verklaarde alsmede van andere feiten. De rechtbank zal het voordeel schatten op grond van het bepaalde in artikel 36e, derde lid van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e, derde lid Sr is vereist dat betrokkene in de hoofdzaak is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie en aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak aan deze voorwaarden is voldaan: betrokkene is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie en er is een onderzoek ingesteld waaruit aannemelijk is geworden dat ook dat feit of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In dat geval kan ook worden vermoed dat uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaar voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf of voorwerpen die in die periode aan hem zijn gaan toebehoren, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten. De rechtbank constateert dat bij het opstellen van de berekening in het ‘Rapport berekening wederrechtelijk voordeel per delict ex artikel 36e 2e lid Wetboek van Strafrecht’ (hierna: het rapport) in de zaak van betrokkene is gekeken naar de legale inkomsten van betrokkene en zijn bankafschriften. Daarnaast is bekeken welke contante uitgaven betrokkene heeft gedaan, waaronder de contante stortingen, de uitgaven aan de verbouwing van het huis en de inboedel. Het gaat hierbij aldus om een abstracte berekening. Uit het rapport blijkt dat van betrokkene over de jaren 2014 tot en met 2018 geen legaal inkomen bekend was anders dan zorgtoeslag en in 2018 ook huurtoeslag. In 2019 was er naast huur- en zorgtoeslag een omzet van € 1.117,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.