RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers: BRE 19/826 tot en met 19/834, 21/3333 en 21/3334 uitspraak van 5 augustus 2021 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [plaats], belanghebbende, en de heffingsambtenaar van Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland, de heffingsambtenaar. De bestreden uitspraken op bezwaar De uitspraken van de heffingsambtenaar van: - 11 december 2018, verzonden op 14 december 2018, op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikkingen met betrekking tot de jaren 2010 tot en met 2018 waarbij de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [OZ], is gewaardeerd op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) en de met die beschikkingen in één geschrift bekendgemaakte aanslagen onroerendezaakbelastingen (hierna: OZB), rioolheffing en reinigingsrecht (zaaknummers 19/826 tot en met 19/834); - 7 januari 2019, verzonden op 10 januari 2019, op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking met [aanslag] (zaaknummer 21/3333); - 10 januari 2019, verzonden op 14 januari 2019, op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking met [aanslag] (zaaknummer 21/3334). De rechtbank heeft voor uitspraken van 7 januari 2019 en 10 januari 2019 van de heffingsambtenaar zaaknummers aangemaakt nadat onderstaande zitting heeft plaatsgevonden. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2021 te Breda. Aldaar is verschenen en gehoord, namens de heffingsambtenaar [X] Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 23 juni 2021 op het adres [plaats] onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 28 juni 2021 aan belanghebbende op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden. 1Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen niet-ontvankelijk met betrekking tot de uitspraken op bezwaar van 11 december 2018; verklaart het beroep gegrond met betrekking tot de uitspraken op bezwaar van 7 januari 2019 en 10 januari 2019; vernietigt de uitspraken op bezwaar van 7 januari 2019 en 10 januari 2019 en wijst deze zaken terug naar de heffingsambtenaar voor behandeling van het bezwaar; gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 47 aan haar vergoedt. 2Gronden 2.1. Belanghebbende heeft bij brief van 31 januari 2019bezwaar gemaakt tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar heeft voornoemde brief op 11 februari 2019 ontvangen. Hij heeft met toepassing van artikel 6:15 van de Awb deze brief van belanghebbende naar de rechtbank doorgestuurd. 2.2. De rechtbank zal eerst beoordelen of belanghebbende tijdig beroep heeft ingesteld. 2.2.1. Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de indieningstermijn voor het beroepschrift 6 weken. De heffingsambtenaar heeft uitspraken op bezwaar gedaan die zijn verzonden op 14 december 2018, 10 januari 2019 en 14 januari 2019. De beroepstermijnen zijn geëindigd op respectievelijk 25 januari 2019, 21 februari 2019 en 25 februari 2019. Voor het bepalen of het beroepschrift tijdig is ingediend, geldt op grond van artikel 6:15, derde lid, van de Awb het tijdstip waarop het bij het onbevoegde orgaan is ingediend, dat is 11 februari 2019. 2.2.2. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 11 december 2018 is dus niet tijdig. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft achterwege, indien sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding zoals bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. De rechtbank heeft bij brief van 19 januari 2021 aan belanghebbende gevraagd waarom zij buiten de termijn van 6 weken beroep heeft ingesteld. De rechtbank heeft bij brief van 25 maart 2021 haar vraag herhaald. Daarop is geen reactie ontvangen. Omdat er geen redenen zijn aangevoerd waarom de termijnoverschrijding verschoonbaar is, komt de rechtbank tot het oordeel dat het ingestelde beroep tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 14 december 2018 niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de bestreden beschikkingen met betrekking tot de jaren 2010 tot en met 2018 inzake de WOZ en de met die beschikkingen in één geschrift bekendgemaakte aanslagen. 2.2.3. Voor zover het beroepschrift ziet op de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar, verzonden op 10 januari 2019 en 14 januari 2019, is het wel tijdig ingediend. Beschikkingen met [aanslag] 2.3. De heffingsambtenaar heeft wegens termijnoverschrijding het bezwaar tegen de beschikkingen met aanslagnummers 5081611 en 5049750 niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft gesteld (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.