ECLI:NL:RBZWB:2021:4043
beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Locatie Breda Cluster II Handelszaken zaaknummer / rekestnummer: C/02/385848 / HA RK 21-110 Beschikking van 4 augustus 2021 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker, advocaat mr. G.M. de Weerd te Eindhoven, tegen 1. [naam bewindvoerder] in haar hoedanigheid van bewindvoerder ex art. 7:182 BW, 2. [naam opvolgend bewindvoerder], in zijn hoedanigheid van opvolgend bewindvoerder ex art. 7:182 BW, beiden wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , verweerders, advocaat mr. M.E.L. Klein te 's-Gravenhage.
Verzoeker wordt hierna de zoon genoemd. Verweerders worden hierna afzonderlijk moeder, vader en gezamenlijk de ouders of de (waarnemend) bewindvoerders genoemd.
1De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
2Het verzoek 2.1.
De zoon verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
2.2.
De (waarnemend) bewindvoerders weerspreken de verzoeken. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3De beoordeling 3.1.
De behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op maandag 26 juli 2021 om 9:30 uur. Ter gelegenheid van de behandeling van het verzoekschrift is de zoon in persoon verschenen, bijgestaan door mr. G.M. de Weerd. De (waarnemend) bewindvoerders zijn eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.E.L. Klein.
3.2.
De rechtbank gaat uit van de navolgende vaststaande feiten:
Door vervolgens juridische procedures in te stellen die ertoe strekken om vrij over de geschonken goederen te kunnen beschikken, heeft de zoon zijn contractuele verplichting geschonden. Deze contractuele tekortkoming is volgens het Hof echter geen grond om de schenking op grond van art. 7:184 lid 1 BW te vernietigen, omdat de moeder als schenker de nakoming van levenslang bewind kan nastreven. Ook voor herroeping van de schenking zag het Hof geen grond, aangezien herroeping vanaf 1 januari 2003 naar Nederlands recht alleen mogelijk is indien die bevoegdheid in de schenkingsakte is bedongen, hetgeen niet het geval is. Tot slot heeft het Hof voor recht verklaard dat het beding van vrijstelling van inbreng van de schenking van 19 februari 1999 van rechtswege is ontbonden wegens het niet naleven van de voorwaarden.
13.
Terbeschikkingstelling Met inachtneming van het onder 4. bepaalde is de bewindvoerder bevoegd om het vermogen of een gedeelte daarvan uit het bewind te ontslaan en ter beschikking van de meerderjarige rechthebbende te stellen indien omstandigheden daartoe aanleiding geven, bijvoorbeeld als bijdrage in de kosten van studie en/of opleiding of in het algemeen tot het verwerven van een maatschappelijke positie, een en ander ter uitsluitende beoordeling van de bewindvoerder.
22.
Einde bewind “Het bewind eindigt: (…) d. door opheffing door de rechtbank op verzoek van de bewindvoerder op grond van onvoorziene omstandigheden en voorts indien aannemelijk is dat rechthebbende de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen besturen. Bij afwijzing van een verzoek tot opheffing kan de rechtbank desverzocht de regels omtrent bewind, al dan niet onder door haar te stellen voorwaarden, wijzigen.”
3.3.
De zoon stelt dat het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een onvoorziene omstandigheid is op grond waarvan het bewind op grond van art. 4:178 lid 2 BW gedeeltelijk kan worden opgeheven, dan wel de bewindbepalingen op grond van 4:171 lid 2 BW kunnen worden gewijzigd, zodat hij kan beschikken over de vruchten van het onderbewindgestelde vermogen. Daarnaast is hij van mening dat ook op grond van het gegeven dat hij geacht kan worden het onderbewindgestelde vermogen zelf op verantwoorde wijze te kunnen besturen, de bewinden gedeeltelijk dienen te worden opgeheven.
3.4.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:505, stellen de ouders zich op het standpunt dat de verplichting die het Hof hun zoon heeft opgelegd om tegen zijn bewindvoerders te procederen in strijd is met art. 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), aangezien deze inmenging in de uitoefening van hun recht op respect voor hun privéleven en hun familie- en gezinsleven niet bij de wet is voorzien en niet noodzakelijk is in een democratische samenleving zoals bedoeld art. 8 lid 2 EVRM. Het is de bedoeling van moeder geweest om het aan haar zoon geschonken – lees: geparkeerde – vermogen buiten het bereik van schoondochters of ex-schoondochters te houden door de meest verstrekkende uitsluitingsclausule in de akte te laten opnemen.
Het is vanzelfsprekend ook nimmer haar bedoeling geweest om het rendement op het vermogen via een alimentatieverplichtingen van haar zoon toch bij een ex-schoondochter terecht te laten komen. Deze wil van moeder bij het doen van de schenkingen aan haar zoon dient gerespecteerd te worden, niet alleen door de zoon, die de schenkingen onder deze voorwaarden heeft geaccepteerd, maar ook door derden, zoals in dit geval het Hof, zodat er geen wettelijke grondslag is voor het starten van de onderhavige procedure, aldus de ouders. Zij verwijzen in dit verband ook naar de beschikking van de rechtbank Overijssel van 31 maart 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1367. Ter betwisting van het verzoek tot gedeeltelijke opheffing van de bewinden voeren zij aan dat art. 4:178 lid 2 BW niet van toepassing is op het bewind uit 1999 en dat voor wat betreft de schenking uit 2014 niet is voldaan aan de voorwaarde dat het aannemelijk is dat de zoon het vermogen zelf op verantwoorde wijze zou kunnen besturen.
Tot slot betwisten zij dat er sprake is van onvoorziene omstandigheden. Zolang het vermogen en de vruchten ervan door middel van het bewind buiten het bereik van hun zoon wordt gehouden, wordt voldaan aan de doelstelling van het bewind, te weten het in stand houden van het vermogen en voorkomen dat hun zoon (en de koude kant) daarvan de vruchten plukt. Om die doelstelling te bereiken zijn er strenge voorwaarden aan de schenkingen verbonden. De zoon heeft deze voorwaarden geaccepteerd en moeder mag van hem ongewijzigde instandhouding van het bewind en de bewindbepalingen verwachten, aldus de ouders.
Art. 8 EVRM 3.5.
Volgens vaste jurisprudentie dient bij het vaststellen van de draagkracht niet alleen gekeken te worden naar de inkomsten die de onderhoudsplichtige feitelijk verwerft, maar ook naar de inkomsten die hij zich in redelijkheid kan verwerven. Om die reden heeft het Hof, zo begrijpt de rechtbank, van de zoon een inspanning gevraagd om alsnog de beschikking te krijgen over de vruchten van het aan hem geschonken vermogen. Dat de zoon zich, vanwege de weigering van de ouders om het bewind gedeeltelijk op te heffen, feitelijk dwongen voelt om de onderhavige procedure aan te spannen moge zo zijn, maar dat betekent nog niet dat de gewraakte overweging van het Hof in strijd is met artikel 8 EVRM. Deze overweging van het Hof dient aldus te worden begrepen, dat het Hof bij de vaststelling van de draagkracht van de zoon rekening heeft gehouden met de vruchten van het onderbewindgestelde vermogen, voor het geval in een eventuele procedure tegen de ouders komt vast te staan dat de alimentatieverplichting van de zoon een gegronde reden is om de onderbewindstelling van de beide schenkingen gedeeltelijk op te heffen. De rechtbank is bij de beoordeling van de vraag of dat inderdaad zo is, niet gebonden aan het – in die zin voorlopig – oordeel van het Hof.
3.6.
Kern van het geschil is dan ook de nog te beantwoorden vraag of de zoon zijn ouders als (waarnemend) bewindvoerders kan verzoeken om, in weerwil van hetgeen in de schenkingsakte is bepaald omtrent het schenkingsbewind, de vruchten van het aan hem geschonken vermogen uit te keren, zodat hij aan zijn alimentatieverplichting kan voldoen.
Artikel 201 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (OwNBW) 3.7.
De zoon baseert zijn verzoek primair op art. 4:178 lid 2 BW en subsidiair op artikel 4:171 lid 2 BW. Deze bepalingen inzake testamentair bewind zijn op grond van artikel 7:182 lid 2 BW ook van toepassing op schenkingen onder bewind. De eerste schenking heeft plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van de huidige bepalingen inzake schenkingsbewind en testamentair bewind. Volgens artikel 201 OwNBW is op een reeds voor de invoering van het nieuwe recht bestaand bewind artikel 7:182 BW van toepassing, behoudens voor zover bij de instelling van het bewind daarvan afwijkende regelingen zijn getroffen.
3.8.
In de schenkingsakte van 19 februari 1999 is uitdrukkelijk bepaald dat ‘hetgeen ieder van haar kinderen uit hoofde van bovengenoemde schenking verkrijgt gedurende zijn leven tot aan het overlijden van het betreffende kind onder bewind zal staan’. Daardoor dient, zoals moeder ook heeft betoogd, ervan uitgegaan te worden dat moeder bedoeld heeft het vermogen te schenken onder levenslang bewind, zonder de mogelijkheid van tussentijdse beëindiging op verzoek van de onder bewind gestelde. Alleen de bewindvoerder heeft volgens artikel 10 de bevoegdheid het bewind geheel of gedeeltelijk op te heffen. Daarbij is uitdrukkelijk aan het oordeel van moeder als bewindvoerder overgelaten of zij dat wenselijk en in het belang van haar zoon acht. Gelet op de bedoeling van moeder om het familievermogen in stand te laten voor de volgende generaties en alleen ten goede te laten komen aan haar zoons en kleinkinderen, welke bedoeling tot uitdrukking komt in de fidei commis de residuo-clausule en de uitsluitingsclausule, is het alleszins begrijpelijk dat moeder niet heeft willen voldoen aan het verzoek van haar zoon om het bewind gedeeltelijk op te heffen, zodat hij aan zijn alimentatieverplichting kan voldoen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de afwijkende schenkingsregeling dient te worden geëerbiedigd, zodat gedeeltelijke opheffing van het bewind over de eerste schenking op grond van art. 4:178 lid 2 BW niet mogelijk is. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.
Gedeeltelijke opheffing van het bewind, art. 4:178 lid 2 BW 3.9.
De vraag is vervolgens of het bewind over de derde schenking wel gedeeltelijk kan worden opgeheven. De derde schenking is na de invoering van het huidige recht tot stand gebracht, zodat art. 4:178 lid 2 BW daarop van toepassing is. Art. 4:178 lid 2 BW is dwingend recht, zodat daar niet bij schenkingsakte van af kan worden geweken, en kent twee opheffingsgronden. Anders dan de zoon kennelijk meent, kan hij geen beroep doen op onvoorziene omstandigheden als grond voor opheffing van het bewind. Dat kan alleen de bewindvoerder. De zoon kan alleen een verzoek doen tot opheffing van het bewind op de grond dat aannemelijk is dat hij de onderbewindstaande goederen zelf op verantwoorde wijze zou kunnen besturen.
3.10.
De zoon heeft in dit verband aangevoerd dat hij hoog opgeleid is, een succesvolle eigen onderneming heeft gehad en ook anderszins maatschappelijk altijd goed heeft gefunctioneerd. Zijn ouders hebben hier gemotiveerd verweer tegen gevoerd en een beeld geschetst van de onverantwoorde wijze waarop hun zoon altijd met geld is omgegaan. Om die reden hebben zij het geschonken vermogen dan ook onder bewind gesteld. Ondanks het feit dat hun zoon deze voorwaarde ten tijde van de schenking heeft aanvaard, heeft hij getracht (de vruchten van) dat vermogen in handen te krijgen. Dat is niet gelukt. Dat het bewind terecht is ingesteld, blijkt wel uit het feit dat dat hun zoon diverse schulden heeft, er beslag op zijn woning is gelegd en hij in diverse procedures is betrokken, aldus de ouders.
3.11.
De rechtbank is van oordeel dat de zoon in het licht van het gemotiveerde verweer van zijn ouders onvoldoende heeft onderbouwd in staat te zijn het vermogen zelf op verantwoorde wijze te besturen. Het verzoek tot gedeeltelijke opheffing van het bewind over de derde schenking wordt daarom eveneens afgewezen.
Wijziging van de bewindbepalingen, art. 4:171 lid 2 BW 3.12.
Resteert de vraag of er onvoorziene omstandigheden zijn op grond waarvan de rechtbank de regels omtrent het voeren van het bewind kan wijzigen. De zoon heeft in dit verband aangevoerd dat de omstandigheid dat op enig moment in een alimentatieprocedure in twee instanties zou worden geoordeeld dat een beweerdelijk rendement van het onderbewindgestelde vermogen onderdeel zou uitmaken van de draagkracht van de zoon, ten tijde van de schenking een onvoorziene omstandigheid is in de zin van art. 6:258 BW.
3.13.
Art. 4:171 lid 2 BW geeft de kantonrechter de discretionaire bevoegdheid om op verzoek van – onder meer – de rechthebbende de regels omtrent het bewind te wijzigen op grond van onvoorziene omstandigheden. Bij onvoorziene omstandigheden gaat het om omstandigheden in de zin van art. 6:258 BW, dus om omstandigheden die van dien aard zijn, dat ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag worden verwacht. Dat heeft tot gevolg dat de rechter de nodige terughoudendheid dient te betrachten bij het wijzigen van de regels omtrent het voeren van het bewind. Van belang is van welke omstandigheden moeder als schenker bij de instelling van het bewind is uitgegaan en of zij, al dan niet stilzwijgend, met de mogelijkheid van het optreden van onvoorziene omstandigheden rekening heeft gehouden.
3.14.
Vast staat dat het bewind is ingesteld in het belang van de zoon. Moeder heeft altijd de bedoeling gehad om het familievermogen zoveel mogelijk in stand te houden voor de volgende generaties en heeft met de onderbewindstelling van het door haar aan haar zoon geschonken deel van dit familievermogen willen voorkomen dat (de vruchten van) dit vermogen door haar zoon wordt geconsumeerd. Om dit te bewerkstelligen zijn er zodanige voorwaarden aan de onderbewindstelling verbonden dat moeder het volledige beheer over het vermogen heeft behouden. Zij heeft de vruchten van dit vermogen altijd aan het vermogen toegevoegd en nimmer aan haar zoon uitgekeerd. Tegen de juridische pogingen van haar zoon om een uitkering te verkrijgen uit dit vermogen heeft zij zich altijd met succes verzet.
Zij is er alleen akkoord mee gegaan dat de hierover verschuldigde vermogensbelasting jaarlijks ten laste van het vermogen wordt gebracht, zodat haar zoon geen nadeel ondervindt van een schenking waar hij geen voordeel van heeft. Dat niet alleen haar zoon, maar ook eventuele schoondochters niet van dit vermogen mogen profiteren, volgt uit de in beide schenkingsakten opgenomen uitsluitingsclausule. Gelet op de voorwaarden waaronder het vermogen is geschonken en de wijze waarop moeder in het verleden van haar bevoegdheden als bewindvoerder gebruik heeft gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat het feit dat de zoon niet over de vruchten kan beschikken om aan zijn alimentatieverplichting te voldoen, de beoogde consequentie is van het bewind en geen omstandigheid die ten tijde van de schenking niet was te voorzien.
3.15.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat ook het verzoek tot wijziging van de bewindbepalingen wordt afgewezen.
3.16.
In de familierelatie ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4De beslissing De rechtbank wijst de verzoeken af, compenseert de proceskosten aldus, die iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2021. type: coll: