RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers: BRE 19/6700 tot en met 19/6703, 20/5144 en 20/5908 uitspraak van 6 september 2021 van de enkelvoudige kame
stuiten eveneens af op het feit dat belanghebbende het kantoor niet als onderdeel (“als één geheel”) van zijn woning gebruikt. 2.
- Naar het oordeel van de rechtbank was belanghebbende bovendien de belastingplichtige/gebruiker voor de OZB, rioolheffing en zuiveringsheffing. Als hoofdregel heeft te gelden dat een object wordt gebruikt door de eigenaar tenzij een ander het object feitelijk gebruikt. Een uitzondering op die hoofdregel is de situatie waarin een eigenaar een object wel te huur heeft gezet maar het object intussen leegstaat. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij het kantoor nooit te huur heeft gezet. Tot 1 november 2019 was hij daardoor, als eigenaar, de gebruiker van het kantoor. Aan het voorgaande doet niet af dat het kantoor niet verhuurbaar was vanwege waterschade. Die omstandigheid heeft geen invloed op het gebruik van het kantoor. Die omstandigheid zou wel invloed kunnen hebben op de (WOZ)-waarde van het kantoor maar die waarde is door belanghebbende niet betwist. Gelet hierop is belanghebbende terecht voor de OZB, rioolheffing en zuiveringsheffing als gebruiker aangeslagen. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende voor de rioolheffing terecht een tijdsevenredige vermindering toegekend aangezien voor die heffing, anders dan de OZB en zuiveringsheffing, niet slechts de situatie per begin van het kalenderjaar bepalend is. 2.
- Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar belanghebbende terecht als gebruiker van het kantoor heeft aangeslagen. De beroepen zijn ongegrond. 3Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van drs. L. Mattijssen, griffier, op 6 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te tekenen. rechter Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bijlage Wet WOZ Artikel 16 Voor de toepassing van de wet wordt als één onroerende zaak aangemerkt: a. een gebouwd eigendom; b. een ongebouwd eigendom; c. een gedeelte van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e. een geheel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen, of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan, of in onderdeel d bedoelde samenstellen, dat naar de omstandigheden beoordeeld één terrein vormt bestemd voor verblijfsrecreatie en dat als zodanig wordt geëxploiteerd; f. het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan, van een in onderdeel d bedoeld samenstel of van een in onderdeel e bedoeld geheel. Gemeentewet Artikel 220a
- Met betrekking tot de onroerende-zaakbelastingen wordt als onroerende zaak aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.
- Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Verordeningen OZB (2018 en 2019 gelijkluidend) Artikel 1 Belastingplicht
- Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.
- Bij de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven (verder: gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verder: de gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. (..) Artikel 2 Belastingobject
- Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaak.
- Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Verordeningen rioolheffing (2018 en 2019 gelijkluidend) Artikel 1 Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a. perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan; (..) Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht
- De belasting als bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.
- Met betrekking tot de rioolheffing wordt: a. als gebruiker aangemerkt degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt; b. gebruikmaken van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruikmaken door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; c. gebruikmaken door degene aan wie een deel van een perceel – niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 – in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; d. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld. Artikel 4 Zelfstandige gedeelten Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt. Verordeningen zuiveringsheffing (2018 en 2019 gelijkluidend) Artikel 1 Begripsbepalingen Deze verordening verstaat onder: (..) d. woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven; e. bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering. (..) Artikel 3 Belastbaar feit en heffingsplicht
- Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of indirect afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap.
- Aan de heffing worden onderworpen: a. ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte; b. ter zake het afvoeren anders dan bedoeld onder a: degene die afvoert.
- Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is heffingsplichtig: a. in geval van gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden: degene die door de heffingsambtenaar BWB is aangewezen; b. in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven: degene die dat deel in gebruik heeft gegeven met dien verstande dat degene die het deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; c. in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte: degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld. (..) Artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet WOZ Artikel 16, onderdeel d, van de Wet WOZ Artikel 2, eerste lid, van de Verordeningen OZB Artikel 1, onderdeel a, van de Verordeningen OZB Artikel 3, eerste lid,
Artikel 1
, onderdeel a,
Artikel 3
, tweede lid, onderdeel a,
Artikel 4
Artikel 3
, eerste lid,
Artikel 1
, onderdeel e, van de Verordeningen zuiveringsheffing Artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van de Verordeningen zuiveringsheffing Voor de rioolheffing ook roerende zaken Namelijk de in 2.9 genoemde uitzonderingssituatie waarbij twee of meer afzonderlijke objecten door één belastingplichtige en als één geheel gebruikt worden.