RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/8463 ZW uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2021 in de zaak tussen [eiseres], te [plaatsnaam], eiseres gemachtigde: mr. G. Grijs, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder. Procesverloop In het besluit van 15 april 2020 (primair besluit) heeft het UWV vastgesteld dat eiseres onnodig een beroep doet op de Ziektewet (ZW) en daarom heeft het UWV de ZW-uitkering van eiseres met 100% verlaagd vanaf 1 april 2020 tot en met 16 augustus 2020. In het besluit van 21 augustus 2020 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en beslist dat eiseres geen recht heeft op een ZW-uitkering. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het UWV heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 8 juli 2021. Hierbij waren aanwezig de gemachtigde van eiseres en mr. M.B.A. van Grinsven namens het UWV. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd. Overwegingen 1. Feiten Eiseres is werkzaam geweest als huishoudelijke hulp bij [naam B.V.] te [plaatsnaam] op basis van een arbeidsovereenkomst voor de periode van 13 januari 2020 tot en met 16 augustus 2020. In artikel 4 van deze arbeidsovereenkomst staat vermeld dat de overeenkomst wordt aangegaan onder de ontbindende voorwaarde dat werknemer binnen 2 maanden vanaf de datum van indiensttreding een kopie van een geldige Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) overlegt aan [naam B.V.]. Verder is bepaald dat de arbeidsovereenkomst per direct zal worden ontbonden, indien werkgever niet binnen deze 2 maanden in het bezit is van een kopie van de VOG. Eiseres is per 16 maart 2020 ziek gemeld. Bij brief van 31 maart 2020 heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst met eiseres ontbonden met als reden dat eiseres nog geen kopie van een geldige VOG had ingeleverd. Bij het primaire besluit heeft het UWV een maatregel opgelegd en de ZW-uitkering van eiseres verlaagd met 100% van 1 april 2020 tot en met 16 augustus 2020 met 100%. Daarbij heeft het UWV gesteld dat de werkgever het dienstverband met eiseres heeft beëindigd toen zij ziek was en dat eiseres zich daarbij heeft neergelegd en niet, of te laat, al het mogelijke heeft gedaan om haar baan te behouden. Omdat eiseres loon had kunnen ontvangen, als zij nog in dienst was geweest bij haar werkgever, doet zij volgens het UWV onnodig een beroep op een ZW-uitkering. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van 30 juli 2020 heeft het UWV een voornemen om de beslissing te wijzigen aan de gemachtigde van eiseres verzonden. De wijziging zou inhouden dat eiseres tot en met 16 augustus 2020 geen recht heeft op een ZW-uitkering omdat zij (mogelijk) recht heeft op loon. Bij het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Daarbij heeft het UWV de motivering van de beslissing gewijzigd. Het UWV is tot de conclusie gekomen dat eiseres tot en met 16 augustus 2020 geen recht heeft op een ZW-uitkering, omdat zij (mogelijk) recht heeft op loon. Daarom komt de opgelegde maatregel vanwege een benadelingshandeling (automatisch) te vervallen. Er kan namelijk alleen sprake zijn van een maatregel als eiseres recht heeft op een ZW-uitkering. Omdat er geen (nadere) bezwaren zijn ingediend tegen het voornemen tot wijziging van de beslissing, heeft het UWV geen reden gezien om af te wijken van het voornemen. In de civielrechtelijke procedure tussen eiseres en [naam B.V.] heeft de kantonrechter op 21 augustus 2020 beschikking gegeven en geoordeeld dat sprake was van een onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst door [naam B.V.]. 2. Omvang geschil In geschil is of het UWV op goede gronden de ZW-uitkering van eiseres heeft geweigerd omdat eiseres recht zou hebben op loon. 3. Beroepsgronden Eiseres voert in beroep aan dat zij in bezwaar tweemaal heeft aangegeven te willen worden gehoord, maar dat dit ten onrechte niet is gebeurd. Daardoor is zij niet in de gelegenheid geweest alle feiten en omstandigheden naar voren te brengen die noodzakelijk zijn om te komen tot een integrale heroverweging van het besluit. Verder stelt eiseres dat haar geen voorgenomen besluit tot wijziging van de beslissing heeft bereikt. Voorts acht eiseres zich geschaad in haar belangen nu het UWV zonder enige kennis van de zaak tussen haar en [naam B.V.] stelt dat eiseres tot en met 16 augustus 2020 geen recht heeft op een ZW-uitkering. Dat geldt des te meer nu inmiddels uit de beschikking van de rechtbank van 21 augustus 2020blijkt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst onregelmatig was. Eiseres meent dat zij wel recht heeft op een ZW-uitkering. 4. Verweer Het UWV voert in verweer aan dat het voornemen van 30 juli 2020 aan de gemachtigde van eiseres is gestuurd en dat het op de weg van de gemachtigde lag eiseres nader te informeren. In die brief zijn eiseres en haar gemachtigde ook in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Op de voorgenomen beslissing heeft het UWV echter geen reactie vernomen. Verder voert het UWV aan dat eiseres blijkens de uitspraak van de kantonrechter haar vordering op loondoorbetaling heeft ingetrokken en dat deze keuze voor haar risico moet komen. De nadelige financiële gevolgen daarvan voor eiseres dienen volgens het UWV niet te worden afgewenteld op de arbeidsongeschiktheidsfondsen.Daarnaast heeft eiseres per 15 juni 2020 het werk hervat bij een andere werkgever. Per 21 augustus 2020 ontvangt eiseres een uitkering ingevolge de ZW wegens beëindiging van dat dienstverband. 5. Wettelijk kader De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW). Uit artikel 29, eerste lid, onder a, van de ZW volgt dat in beginsel geen ziekengeld wordt uitgekeerd, indien de verzekerde uit hoofde van de dienstbetrekking, op grond waarvan hij de arbeid behoort te verrichten, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel indien het recht op loon door toepassing van het derde, vijfde, zesde of negende lid van dat artikel geheel of gedeeltelijk ontbreekt. Artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, een belanghebbende in de gelegenheid stelt te worden gehoord. In artikel 7:3 van de Awb is bepaald in welke gevallen van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien, waaronder het geval dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.