RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 21/546 WOB V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2021 op het verzet van [naam eiser 1] , [naam eiser 2] , [naam eiser 3] , [naam eiser 4] , [naam eiser 5] , [naam eiser 6] , allen wonende te [plaatsnaam 1] , opposanten/eisers, gemachtigde: mr. J.A. de Boe. Procesverloop Opposanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de Commissie van advies voor de bezwaarschriften van de gemeente [plaatsnaam 2] (de commissie) op hun verzoek van 7 december 2020 ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur (Wob-verzoek). Bij uitspraak van 19 mei 2021 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposanten hebben tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Het verzet is ter zitting behandeld in Breda op 10 september 2021. Opposant [naam eiser 6] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De overige opposanten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De commissie is niet verschenen. Overwegingen 1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat er geen sprake is van een Wob-verzoek of anderszins een aanvraag, zodat er geen wettelijke termijnen zijn gaan lopen. Nu er geen sprake is van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op een verzoek als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, kan er geen beroep worden ingesteld. Verzet 2. In deze verzetzaak dient uitsluitend te worden beoordeeld of de rechtbank in de uitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden kan de rechtbank in deze zaak alleen toekomen als het verzet gegrond is. 3. De verzetrechter stelt voorop dat de toetsing in verzet van een uitspraak die is gedaan met toepassing van artikel 8:54 van de Awb dient te geschieden op basis van de in verzet beschikbare informatie. Hiertoe behoort ook informatie die voor het eerst in die fase van het geding naar voren is gebracht (ex nunc). 4. Opposanten voeren tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat nu de rechtbank niet binnen acht weken na ontvangst van het beroepschrift uitspraak heeft gedaan conform artikel 8:55, eerste lid, van de Awb er à contrario geredeneerd moet worden dat een onderzoek ter zitting nodig was geweest. Voorts stellen opposanten dat hun verzoek wel aangemerkt moet worden als Wob-verzoek, omdat er geen sprake is van één van de door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) genoemde uitzonderingen. Hiertoe voeren opposanten in hun verzetschrift aan dat de gevraagde stukken bij de commissie berusten en het verzoek zich richt op archiefstukken van de commissie, omdat de bezwarenprocedure reeds bij beslissing op bezwaar van 24 november 2020 is geëindigd. Ter zitting hebben opposanten zich daarnaast principieel op het standpunt gesteld dat de door de Afdeling geformuleerde uitzonderingen buitenwettelijk zijn, omdat in de wet staat dat er bij een Wob-verzoek geen belang behoeft te worden gesteld. 5. De verzetrechter stelt vast dat opposanten ter zitting principiële gronden hebben aangevoerd tegen de door de Afdeling geformuleerde uitzonderingen op de hoofdregel wanneer er geen sprake is van een Wob-verzoek. Door de kennelijke afdoening hebben opposanten dit standpunt in beroep niet ter zitting kunnen aanvoeren. De verzetrechter is van oordeel dat deze beroepsgrond wel inhoudelijk dient te worden beoordeeld door de rechtbank. Het verzet is daarmee gegrond. Dat betekent dat de uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom op grond van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. Beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen 6. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb). 7. Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag of de commissie in gebreke is om tijdig een besluit te nemen op de aanvraag, dient de rechtbank eerst antwoord te geven op de vraag of er sprake is van een aanvraag. Eisers stellen dat het verzoek van 7 december 2020 een Wob-verzoek is en dat er reeds daarom sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Daarnaast stellen eisers dat de door Afdeling genoemde uitzonderingen buitenwettelijk zijn, nu in artikel 3, derde lid, van de Wob staat dat de verzoeker geen belang hoeft te stellen. 8. In de uitspraak van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1268, heeft de Afdeling haar rechtspraak over de kwalificatie van een informatieverzoek als Wob-verzoek gepreciseerd. De Afdeling stelt in deze uitspraak voorop dat hoofdregel is dat wanneer iemand met een beroep op de Wob een verzoek om informatie vervat in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid tot een bestuursorgaan richt, zo’n verzoek een Wob-verzoek is. Het enkele feit dat de verzoeker de informatie vraagt vanwege zijn persoonlijk belang bij kennisneming van de informatie en/of met het oog op het gebruik van de informatie in een procedure tegen het bestuursorgaan of derden, betekent niet dat geen sprake is van een Wob-verzoek. Dat geldt ook indien de verzoeker de informatie (mogelijk) ook kan krijgen op grond van regels over de toegang tot stukken in een procesrechtelijke regeling, zoals artikel 7:4 van de Awb of de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit is alleen anders indien
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.