RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 20/7679 uitspraak van 23 september 2021 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van de inspecteur van 1 juli 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2017 opgelegde aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) naar een bijdrage-inkomen van € 32.931 (aanslagnummer [aanslagnummer].W.76.01.4). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2021 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de inspecteur, [inspecteur]. 1Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. 2Gronden Feiten 2.1. Belanghebbende heeft in 2017 een winst uit onderneming genoten van € 49.708. Daarnaast heeft belanghebbende een bedrag van € 10.000 aan lijfrentepremies gestort op een lijfrentebankspaarrekening. 2.2. Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV en Zvw voor het jaar 2017 gedaan naar een bijdrage-inkomen van € 26.488, dat als volgt is opgebouwd: Winst uit onderneming: € 49.708 Af: zelfstandigenaftrek € 7.280 Af: MKB-winstvrijstelling € 5.940 Belastbare winst uit onderneming: € 36.488 Af: lijfrentepremie jaarruimte € 2.887 Af: lijfrentepremie reserveringsruimte € 3.556 Af: lijfrentepremie omzetting oudedagsreserve € 3.557 Bijdrage-inkomen € 26.488 2.3. De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 32.931. De inspecteur heeft bij het vaststellen van het bijdrage-inkomen geen rekening gehouden met de lijfrentepremie die belanghebbende in de aangifte ten laste van de jaar- en reserveringsruimte in aftrek in aanmerking heeft genomen. 2.4. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag Zvw voor het jaar 2017. De inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 1 juli 2020 afgewezen. Geschil 2.5. In geschil is of de aanslag Zvw voor het jaar 2017 tot het juiste bedrag is vastgesteld. Meer bijzonder is in geschil of het niet in aanmerking nemen van het deel van de betaalde lijfrentepremie dat niet ziet op de omzetting van de oudedagsreserve bij de vaststelling van het bijdrage-inkomen in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en met artikel 1 van het Eerste Protocol (hierna: EP) van het EVRM. Beoordeling van het geschil 2.6. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat bij de berekening van het bijdrage-inkomen ten onrechte geen rekening is gehouden met het deel van de door hem betaalde lijfrentepremies voor zover deze premies niet zien op de omzetting van de oudedagsreserve in een lijfrente. Daarbij betoogt belanghebbende dat sprake is van een ongelijke behandeling tussen oudedagsvoorzieningen die vrijwillig en op eigen verantwoordelijkheid worden opgebouwd (de derde pijler van het Nederlands pensioenstelsel) en de pensioenopbouw waarbij een verband bestaat tussen het pensioen enerzijds en de arbeidsduur en het inkomen anderzijds (de tweede pijler van het Nederlands pensioenstelsel). Met betrekking tot de pensioenopbouw in de derde pijler is sprake van dubbele bijdrage-heffing, doordat bij de heffingsgrondslag van de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw geen rekening wordt gehouden met negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen en anderzijds de daaruit voortvloeiende voordelen wel in de heffing worden betrokken. Ten aanzien van de premies die zijn afgedragen in het kader van pensioenopbouw ontstaat geen dubbele bijdrage-heffing omdat deze premies, doorgaans afgedragen door een werkgever, niet tot de grondslag voor de Zvw behoren. Volgens belanghebbende is hierdoor sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen zonder objectieve rechtvaardiging, waardoor artikel 1 EP in verbinding met artikel 14 van het EVRM is geschonden. 2.7. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de situatie waarin een oudedagsvoorziening wordt opgebouwd door middel van een lijfrente zodanig verschilt van de situatie waarin een werknemer pensioen opbouwt via een pensioenregeling of de situatie waarin een ondernemer pensioen opbouwt door middel van premies voor een verplichte pensioenregeling of toevoeging aan een fiscale oudedagsreserve (hierna: FOR), dat geen sprake is van gelijke gevallen. Volgens de inspecteur heeft de wetgever deze gevallen ook niet als gelijke gevallen bestempeld. De inspecteur heeft ter verdere onderbouwing van zijn stelling verwezen naar het arrest van 23 november 2018. Volgens de inspecteur heeft de Hoge Raad daarin impliciet geoordeeld dat de opbouw van een oudedagsvoorziening door middel van een lijfrente niet vergelijkbaar is met een werknemer die pensioen opbouwt of een ondernemer die pensioen opbouwt door middel van deelname aan een verplichte pensioenregeling of toevoeging aan een FOR. De inspecteur stelt dat hij daarom bij de vaststelling van het bijdrage-inkomen terecht de premies van de lijfrente voor zover die niet zien op de omzetting van de oudedagsreserve in aftrek heeft geweigerd. 2.8. Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij zich niet op het standpunt stelt dat sprake is van een individuele buitensporige last. De rechtbank begrijpt het beroep van belanghebbende op artikel 1 EP daarom in samenhang met het beroep op artikel 14 van het EVRM. 2.9. De rechtbank stelt voorop dat niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen is verboden, maar alleen die welke als verboden discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Aan de wetgever komt een ruime beoordelingsmarge toe en zolang geen onderscheid wordt gemaakt op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd, tenzij dat van een redelijke grond is ontbloot. Ten aanzien van de vraag of sprake is van gelijke gevallen overweegt de rechtbank als volgt. 2.9.1. Belanghebbende maakt een vergelijking tussen de zogenoemde derde pijler van het Nederlands pensioenstelsel (waarbinnen het geval van belanghebbende valt) en de tweede pijler van het Nederlands pensioenstelsel. Dit onderscheid is echter niet gelijk aan het door de Hoge Raad onderkende onderscheid dat de wetgever in artikel 43 van de Zvw maakt voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage. De Hoge Raad overweegt in het arrest van 23 november 2018 dat de wetgever in artikel 43 van de Zvw onderscheid maakt tussen drie gevallen. Het eerste geval is een werknemer die pensioen opbouwt door middel van een verplichte pensioenregeling (i). Het tweede geval is een ondernemer die een oudedagsvoorziening opbouwt door middel van deelname aan een verplichte pensioenregeling of door toevoeging aan een FOR (ii). Het laatste geval is de situatie waarin, al dan niet in aanvulling op de hiervoor genoemde oudedagsvoorzieningen, een oudedagsvoorziening wordt opgebouwd door middel van een lijfrente (iii). 2.9.2. In de onder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.