← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2021:4845

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02/821196-17 vonnis van de rechtbank d.d. 21 september 2021 in de ontnemingszaak tegen [veroordeelde] geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] wonende te [adres] raadsman: M.A. Prins, advocaat te ’s-Hertogenbosch 1De procedure [veroordeelde] is op 28 juni 2019 door de meervoudige kamer voor strafzaken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeeld voor onder meer het medeplegen van witwassen tot de in die uitspraak vermelde straf. De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd tot een bedrag van € 221.602,68 op grond van artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 september 2021, waarbij de officier van justitie, mr. J. Schreurs, en de raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat aannemelijk is dat [veroordeelde] en zijn echtgenote [naam 1] wederrechtelijk voordeel hebben verkregen ter hoogte van € 221.602,68, zoals is berekend in het Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel van 24 september 2019 (hierna: de ontnemingsrapportage). Er is sprake van gezamenlijk genoten voordeel nu beide personen een economische eenheid vormden en dit nog altijd zijn. Daaruit volgt een hoofdelijke aansprakelijkheid voor [veroordeelde] en [naam 1] . 3Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit matiging van de vordering tot een bedrag van € 102.037,

  1. Dit is het bedrag waarvan in de hoofdzaak bewezen is verklaard dat [veroordeelde] en [naam 1] dit hebben witgewassen. Artikel 36e lid 3 Sr geeft weliswaar ruimte om een hoger bedrag te vorderen, maar alleen dan als aannemelijk is dat genoemde personen dat voordeel hebben genoten. Die aannemelijkheid volgt niet uit het dossier. Een gedegen financieel onderzoek naar de geldstromen heeft niet plaatsgevonden en het is mogelijk dat deze via anderen zijn verlopen. Tekenend in dit verband is een chatgesprek tussen derden waarin wordt gezegd dat er nog geld ligt bij ‘ [naam 2] ’. De verdediging verzoekt verder om [veroordeelde] en [naam 1] niet hoofdelijk te veroordelen, maar het toe te wijzen bedrag pondspondsgewijs te verdelen. Een hoofdelijke veroordeling kan grote gevolgen hebben voor de kinderen, aangezien beide ouders in gijzeling kunnen worden genomen, wanneer de betalingsverplichting onverhoopt niet wordt nagekomen. 4Het oordeel van de rechtbank 4.1 Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel Het juridisch kader De officier van justitie baseert zijn ontnemingsvordering op artikel 36e lid 3 Sr. Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van dat artikellid kan plaatsvinden als: betrokkene is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, en aannemelijk is dat het misdrijf waarvoor betrokkene is veroordeeld of andere strafbare feiten ertoe hebben geleid dat betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. [veroordeelde] is in de hoofdzaak veroordeeld voor het medeplegen van witwassen, zijnde een vijfde geldboete categorie feit. Aan het eerste vereiste voor toewijzing van de ontnemingsvordering is dus voldaan. De vervolgvraag is of aannemelijk is dat [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het door hem gepleegde witwassen of uit andere strafbare feiten. De vermogensvermeerdering In de ontnemingsrapportage is het totale bedrag ad € 221.602,68 gebaseerd op twee geconstateerde geldstromen:
  2. overboekingen van [bedrijf] op bankrekeningen die op naam staan van [veroordeelde] en [naam 1] tot een bedrag van in totaal € 17.656,31 (periode 25 januari 2015 - 4 juli 2016);
  3. stortingen van tegoeden op de [cryptokaart] die op naam staat van [veroordeelde] voor een totaalbedrag van € 203.946,50 (periode 1 juli 2016 - 10 december 2017). De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de berekening van deze bedragen en neemt daarom deze berekening onverkort over. Voor de rechtbank staat vast dat de overgeboekte bedragen door [bedrijf] daadwerkelijk door [veroordeelde] en [naam 1] zijn verkregen en tot een vermogensvermeerdering bij hen hebben geleid. De bankrekeningen waarop de bedragen zijn ontvangen staan op hun namen en er zijn geen aanwijzingen dat deze rekeningen slechts als doorsluisrekening hebben gefungeerd. Voor de rechtbank bestaat voorts geen twijfel dat [veroordeelde] ook de tegoeden op de [cryptokaart] heeft verkregen. Hij is de tenaamgestelde van deze door hem zelf bestelde kaart en niet gebleken is dat hij deze kaart voor anderen in gebruik had. Sterker nog, [veroordeelde] heeft verklaard dat hij de enige gebruiker is van de kaart en dat hij het met de kaart opgenomen geld heeft opgemaakt. Het door de raadsman gevoerde verweer dat de [cryptokaart] mogelijk door onbekende derden is gebruikt, wordt daarom als onvoldoende aannemelijk terzijde geschoven. In paragraaf 5.2.1 van de ontnemingsrapportage is - kort gezegd - vermeld dat [veroordeelde] en [naam 1] ten tijde van de verkrijging van de hierboven genoemde bedragen gehuwd waren, dat zij een gezamenlijke huishouding voerden en dat zij gezamenlijk beschikten over de aan hun toebehorende gelden. Op basis hiervan is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat [veroordeelde] en [naam 1] samen een economische eenheid vormden waarbij sprake was van een gezamenlijk vermogen. Al met al kan worden geconcludeerd dat sprake is van een gezamenlijke vermogensvermeerdering van € 221.602,68 voor [veroordeelde] en [naam 1] . De wederrechtelijkheid De rechtbank stelt vast dat de vermogensvermeerdering met een bedrag van € 221.602,68 niet kan worden verklaard uit legale inkomsten van [veroordeelde] en [naam 1] . [veroordeelde] had in de periode 25 januari 2015 tot 10 december 2017 geen legaal inkomen en het legale inkomen van [naam 1] was niet eens toereikend voor het dragen van de vaste lasten van het gezin. Verder is uit onderzoek van [bedrijf] naar voren gekomen dat de verrichtte transacties met de bitcoins via Bitcoinmixers of darkweb marketplaces plaatsvonden. Zo’n mixer bij de aan- en verkoop van virtuele betaalmiddelen is een door FIU-Nederland vastgestelde witwastypologie en het darkweb wordt, zo is algemeen bekend, veelal gebruikt voor het (ver)kopen van verboden goederen. Daarbij komt dat [naam 1] geen verklaring heeft gegeven voor de herkomst van dit geldbedrag en dat [veroordeelde] over de herkomst van dit geldbedrag hoogst ongeloofwaardig heeft verklaard. Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat er voldoende aanwijzingen zijn dat (onbekende) strafbare feiten zijn begaan en ertoe hebben geleid dat [veroordeelde] en [naam 1] het bedrag van € 221.602,68 in gezamenlijkheid hebben verkregen. 4.2 Vaststelling ontnemingsbedrag De rechtbank zal het terug te betalen bedrag vaststellen op € 221.602,
  4. De rechtbank zal [veroordeelde] hoofdelijk veroordelen tot betaling van genoemd bedrag nu het voordeel als gemeenschappelijk voordeel kan worden aangemerkt waarover [veroordeelde] en [naam 1] konden beschikken. Voor een pondspondsgewijze verdeling zoals de raadsman heeft verzocht ziet de rechtbank geen aanleiding gezien de economische eenheid die [veroordeelde] en [naam 1] vormden en er geen concrete aanknopingspunten voorhanden zijn die de door de raadsman voorgestelde verdeling van het voordeel rechtvaardigen. 5De wettelijke voorschriften De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 6De beslissing De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 221.602,68; - legt [veroordeelde] de hoofdelijke verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 221.602,68, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; - bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 1.080 dagen; - bepaalt dat [veroordeelde] verplicht is tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, behoudens voor zover aan deze betalingsverplichting reeds door of namens een ander is voldaan. Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.H. Goossens, voorzitter, mr. E.G.F. Vliegenberg en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H..J.E.M. Hoezen en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 september
  5. Mr. Vliegenberg en mr. Hoekstra zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen. Hierna wordt steeds verwezen naar pagina’s uit Ontnemingsdossier wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e 3e lid WvSr, naar waarheid opgemaakt door [verbalisant] , inspecteur van Politie, werkzaam als Operationeel specialist A, Dienst Regionale Recherche, eenheid Zeeland-West-Brabant op 24 september
  6. Pagina
  7. Pagina
  8. Pagina
  9. Pagina 323 Pagina
  10. Vonnis onder hetzelfde parketnummer van de meervoudige strafkamer Zeeland-West-Brabantd.d. 28 juni 2019.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.