RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02/700194-18 vonnis van de meervoudige kamer van 9 februari 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag verdachte] 1999 te [geboorteplaats verdachte] , wonende te [adres verdachte] , raadsman mr. B.P.J. van Riel, advocaat te Breda. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 januari 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Gaillaird-Beugeling, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden, of hem zwaar heeft mishandeld, door hem met een mes in de borst te steken. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de primair ten laste gelegde poging tot doodslag heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier, behoudens de processen-verbaal van bevindingen omtrent de camerabeelden. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte zelf het conflict met het slachtoffer heeft opgezocht, zich voorafgaand aan de vechtpartij bewust was van het mes dat hij bij zich droeg en met het mes een stekende beweging in de richting van het bovenlichaam van het slachtoffer heeft gemaakt, waardoor het slachtoffer is geraakt. De officier van justitie gaat er op grond van haar eigen waarneming van de camerabeelden van uit dat het moment van steken op tijdstip 04:56:03 heeft plaatsgevonden. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer een fatale steekwond zou toebrengen, gelet op de vitale organen die zich in het bovenlichaam bevinden. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit en wijst daarbij op de verklaring van verdachte dat hij het mes slechts heeft gepakt om het slachtoffer mee te bedreigen en zo weg te jagen en dat hij geen stekende beweging met het mes heeft gemaakt. De verklaring van verdachte wordt ondersteund door de camerabeelden, waaruit volgt dat het slachtoffer verdachte schopt en slaat. Geen van de getuigen heeft gezien dat verdachte het slachtoffer heeft gestoken en ook op de camerabeelden is dit niet te zien. Het opzet van verdachte was, naar uiterlijke verschijningsvorm, slechts gericht op het wegdrijven van het slachtoffer, en niet op het doden of zwaar mishandelen van het slachtoffer. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank allereerst het volgende vast. Verdachte en het slachtoffer hebben op 30 september 2018 ’s nachts in Tholen de confrontatie met elkaar opgezocht naar aanleiding van een al langer spelend conflict. Vooraf was voor beiden duidelijk dat de confrontatie op het gebruik van geweld uit zou (kunnen) draaien en dit is ook het geval geweest. Uit de verklaringen van het slachtoffer en de onafhankelijke getuige [getuige 1] leidt de rechtbank af dat verdachte en het slachtoffer elkaar over en weer hebben geslagen. Dat verdachte geen wondjes had aan zijn knokkels en dat het op de camerabeelden niet is te zien, sluit dit naar het oordeel van de rechtbank niet uit. Het is immers ook mogelijk te slaan zonder dat de knokkels beschadigd raken. Daarnaast is niet de volledige confrontatie op de camerabeelden te zien, waardoor er buiten beeld ook gevochten kan zijn. Verder volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte een mes bij zich had in zijn jaszak. Tijdens de confrontatie is verdachte meermalen geslagen door het slachtoffer en heeft hij letsel aan zijn oog(kas) opgelopen. Verdachte heeft op enig moment tijdens de confrontatie het mes uit zijn jaszak gepakt. Het slachtoffer is geraakt door het mes en heeft daardoor een steekwond van 10 centimeter diep opgelopen, door zijn linkerlong en middenrif tot in de linker leverkwab. Stekende beweging? Het slachtoffer heeft verklaard dat hij niet heeft gezien hoe het mes in zijn borst terecht is gekomen, maar dat het – gelet op de hoogte van de steekwond – niet anders kan dan dat verdachte hem heeft gestoken, omdat hij lager op zijn lichaam gewond zou zijn geweest als verdachte slechts een mes in zijn handen heeft gepakt. Deze verklaring van het slachtoffer is kennelijk niet afgelegd op grond van zijn eigen waarneming, maar betreft een conclusie die het slachtoffer zelf trekt op basis van de aard van zijn verwondingen. Het slachtoffer heeft dus niet daadwerkelijk gezien dat verdachte hem heeft gestoken. De getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] hebben verklaringen afgelegd over het incident, maar de rechtbank is van oordeel dat deze onbruikbaar zijn voor het bewijs voor wat betreft de toedracht van de steekwond en het moment waarop de steekwond bij het slachtoffer is ontstaan. [getuige 3] verklaart dat zij niet heeft gezien hoe de steekwond is ontstaan, terwijl [getuige 4] en [getuige 2] wisselende verklaringen afleggen: enerzijds verklaren zij stekende bewegingen te hebben gezien, maar anderzijds ook dat zij niet hebben gezien dat er is gestoken. Gelet op de tegenstrijdigheden in hun verklaringen op dit punt, acht de rechtbank deze verklaringen niet bruikbaar voor het bewijs voor wat betreft de toedracht van de steekwond bij het slachtoffer. Ook uit de camerabeelden kan niet worden afgeleid of er sprake is geweest van een stekende beweging of niet en evenmin wanneer de het letsel van het slachtoffer is ontstaan. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat door de politie met een mobiele telefoon een opname is gemaakt van de originele camerabeelden van de bewakingscamera (die thans niet meer beschikbaar zijn). De tijd is op de camerabeelden niet telkens zichtbaar , waardoor niet duidelijk is of er sprake is van volledig doorlopende beelden. Daarnaast lijken de beelden te verspringen. Hoewel uit het dossier blijkt dat de verbalisant een doorlopende opname met zijn mobiele telefoon heeft genomen, is onduidelijk of de camerabeelden zelf volledig doorlopen, of dat de camera slechts met tussenpozen opnames heeft gemaakt. Daar komt bij dat verdachte en het slachtoffer niet continu in beeld zijn, maar ook periodes uit het beeld verdwijnen. Op het moment waarop volgens de officier van justitie de stekende beweging is gemaakt, is op de camerabeelden voor de rechtbank niet voldoende duidelijk waar te nemen of een van de alsdan zichtbare personen daadwerkelijk een mes voorhanden heeft. Het is naar het oordeel van de rechtbank daarom goed mogelijk dat het moment waarop de steekwond is toegebracht, niet op de camerabeelden is vastgelegd. Nu op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld of er sprake is geweest van een stekende beweging, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de verklaring van verdachte, dat hij geen stekende beweging heeft gemaakt maar het mes slechts voor zich heeft gehouden om het slachtoffer af te weren, aannemelijk is, of dat uit de aard van het objectief geconstateerde letsel moet worden afgeleid dat dit niet het geval kan zijn geweest en dat er sprake moet zijn geweest van een andere toedracht. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verdachte heeft bij de politie aangegeven dat hij zijn hand dicht naast zijn rechter middel hield op het moment dat hij het mes vast had. Verder heeft verdachte verklaard dat het slachtoffer hem sloeg en trapte en steeds dichterbij kwam en dat hij hem toen heeft geraakt. De rechtbank acht het onaannemelijk dat een steekwond van tenminste tien centimeter diep in de borststreek van het slachtoffer heeft kunnen ontstaan terwijl verdachte het mes vasthield met zijn hand bij zijn middel. Dat zou betekenen dat het slachtoffer met zijn borst heel dicht bij het middel van verdachte heeft moeten staan, terwijl het slachtoffer aan het slaan en trappen was. De rechtbank acht dit onaannemelijk, omdat er voor het slachtoffer enige ruimte moet zijn tussen hem en verdachte om richting verdachte uit te kunnen halen om hem te slaan en te trappen. Verder overweegt de rechtbank dat uit de letselbeschrijving volgt dat de steekwond bij het slachtoffer door zijn linkerlong heen, door het middenrif tot in de linker leverkwab is toegebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat het middenrif de borst- en buikholte van elkaar scheidt, dat de longen zich in de borstholte bevinden en dat de lever zich in de buikholte bevindt. Dit betekent dat het mes vanaf de borstholte tot in de buikholte is terechtgekomen. Naar het oordeel van de rechtbank strookt de aard van dit letsel evenmin met de verklaring van verdachte dat hij het mes (naar de rechtbank begrijpt) onderhands in zijn hand naast zijn middel vasthield. Dit klemt te meer daar de verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij en het slachtoffer van gelijke lengte zijn. De rechtbank stelt, gelet op het voorgaande, vast dat het letsel bij het slachtoffer niet kan zijn ontstaan door het enkele vasthouden van het mes in de richting van het slachtoffer op de wijze die verdachte heeft omschreven. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaring van verdachte op dit punt onaannemelijk is. De rechtbank kan echter evenmin vaststellen of verdachte een stekende beweging heeft gemaakt. Op grond van de bewijsmiddelen kan de rechtbank slechts vaststellen dat verdachte het mes op enig moment gedurende het gevecht met het slachtoffer op dusdanige manier voor zich heeft gehouden dat hierdoor een steekwond in de borststreek van het slachtoffer is ontstaan van tien centimeter diep. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of deze handelswijze maakt dat verdachte het slachtoffer heeft gestoken. De rechtbank is van oordeel dat dat het geval is en overweegt hiertoe als volgt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer niet heeft gezien dat het mes zijn lichaam is binnengedrongen. Dit betekent dat het slachtoffer hier niet op bedacht was en dat verdachte het mes dus onverhoeds in de richting van het slachtoffer heeft gehouden. Indien verdachte, zoals hij heeft verklaard, niet de intentie had het slachtoffer te raken maar slechts om hem te bedreigen, had hij het slachtoffer bewust moeten maken van het mes en het mes op een zodanige manier moeten hanteren dat het slachtoffer niet zou worden geraakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het onverhoeds een mes in de richting van het slachtoffer (blijven) houden terwijl het slachtoffer hier niet op bedacht is, terwijl er sprake is van een onderlinge confrontatie waarbij de betrokkenen zich (heel) dicht bij elkaar bevinden, en het mes onder die omstandigheden op zodanige manier hanteren dat een steekwond van tien centimeter diep in de borststreek heeft kunnen ontstaan, naar uiterlijke verschijningsvorm niet is gericht op het afdreigen of afweren van het slachtoffer, maar op het raken (en dus het steken) van dat slachtoffer. Dat niet kan worden vastgesteld dat er een stekende beweging is gemaakt door verdachte is daarbij niet relevant. Het resultaat van de handelswijze van verdachte is immers hetzelfde als wanneer er wel een stekende beweging zou zijn gemaakt. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte het slachtoffer heeft gestoken. Poging doodslag? Uit de bewijsmiddelen, met inachtneming van de hiervoor omschreven bewijsoverwegingen, leidt de rechtbank af dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer] tijdens de onderlinge confrontatie op 30 september 2018 te Tholen in zijn borst heeft gestoken met een mes. Door een mes, dat blijkens de verklaring van verdachte scherp was, op zodanige manier te hanteren dat een wond van tien centimeter diep kon ontstaan, bestaat de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer, gelet op de vitale organen die zich in de borststreek bevinden. Het is een feit van algemene bekendheid dat de kans groot is dat door een messteek op deze plek in het lichaam een vitaal orgaan wordt geraakt, welke verwonding kan leiden tot de dood. Vervolgens is de vraag of verdachte deze aanmerkelijke kans heeft willen aanvaarden en dus op de koop heeft toegenomen dat het gevolg zou intreden. De rechtbank is van oordeel dat dat het geval is. Het hanteren van een scherp mes op de wijze zoals hiervoor is omschreven, is naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het gevolg dat het slachtoffer hierdoor (dodelijk) wordt geraakt, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard, mede gelet op de omstandigheid dat verdachte het mes aan het begin van het gevecht nog niet in zijn hand had, maar het mes op enig moment in zijn jas voelde, het uit zijn jaszak heeft gepakt en toen pas heeft gebruikt. Gelet hierop is er sprake geweest van een bewuste handeling van verdachte. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft hij dus willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer het leven zou laten. De rechtbank acht, gelet voorgaande, de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 30 september 2018 te Tholen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes heeft gestoken in de borst terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid 5.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte zich noodzakelijk heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanval/aanranding door aangever. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte aanhoudend werd geschopt en geslagen door het slachtoffer, dat het geweld vanuit het slachtoffer vrijwel aan een stuk door bleef aanhouden en dat verdachte geen kant op kon. Verdachte kon door de klappen vrijwel niets meer zien en het slachtoffer was duidelijk de betere vechter. Door het aanhoudende geweld werd een verdediging noodzakelijk en verdachte heeft het mes, waarvan hij ontdekte dat het in zijn jaszak zat, slechts uit zijn jaszak gepakt. Deze verdediging was passend en geboden, ook indien bewezen wordt verklaard dat verdachte het slachtoffer heeft gestoken. Daarbij speelt de hectiek van de situatie, de reeds eerder getoonde agressie van het slachtoffer richting verdachte, het reeds door verdachte opgelopen letsel en het fysieke overwicht van het slachtoffer een belangrijke rol. Daarnaast was verdachte niet in de gelegenheid om weg te lopen. Van culpa in causa is geen sprake: verdachte heeft het mes onbewust meegenomen naar de confrontatie met het slachtoffer. Voor zover verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, heeft de verdediging aangevoerd dat er sprake was van noodweerexces. De overschrijding is het onmiddellijke gevolg is geweest van de hevige gemoedsbeweging die het gevolg was van de wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer. 5.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat een noodweer(exces) situatie niet aannemelijk is geworden, omdat de verklaringen van verdachte op veel punten ongeloofwaardig zijn. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte het slachtoffer – gelet op de camerabeelden – heeft gestoken op een dood moment midden op straat, terwijl verdachte op dat moment ook had kunnen omdraaien en weglopen. Het steken was een bewuste, aanvallende actie van verdachte, en niet een verdedigende actie. Daarnaast heeft verdachte de confrontatie doelbewust opgezocht en had hij voorafgaand aan de confrontatie wetenschap van de aanwezigheid van het mes. Er was daarom geen sprake van een noodweersituatie. 5.3 Het oordeel van de rechtbank Noodweer Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees/angst voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet (volledig) aannemelijk geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen, namelijk dat verdachte aanhoudend werd geschopt en geslagen, dat het geweld vanuit het slachtoffer vrijwel aan een stuk door bleef aanhouden en dat verdachte geen kant op kon, vindt zijn weerlegging in de verklaring van onafhankelijke getuige [getuige 1] , die heeft verklaard dat er sprake was van geweld over en weer, dat er over en weer naar elkaar werd toegelopen en dat over en weer werd geslagen. Er was dus niet slechts sprake van eenzijdig, aanhoudend geweld van het slachtoffer richting verdachte. Gelet op de bewijsmiddelen is de rechtbank echter wel van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het slachtoffer richting verdachte. Het slachtoffer heeft immers zelf verklaard dat hij met verdachte aan het vechten was, toen hij ineens de steekwond bemerkte. Voordat de steekwond is toegebracht, heeft het slachtoffer verdachte dus al geslagen. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de feiten en omstandigheden die wel aannemelijk zijn geworden, een beroep op noodweer rechtvaardigen. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als "verdediging", maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van het slachtoffer weliswaar worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte, maar kan de daarop volgende handeling van de verdachte, gelet op diens bedoeling en de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedrag, niet worden aangemerkt als verdedigingshandeling. Zijn handeling moet – naar de kern bezien – als aanvallend worden aangemerkt. Op grond van bewijsmiddelen kan niet precies worden vastgesteld op welk moment verdachte het slachtoffer tijdens de confrontatie heeft gestoken en of hij op dat moment al letsel aan zijn oog had opgelopen. Wat wel vaststaat, is dat verdachte doelbewust de confrontatie met het slachtoffer heeft opgezocht, dat hij wist dat het op het gebruik van geweld uit zou (kunnen) draaien en dat ook verdachte het slachtoffer heeft geslagen en zich niet heeft onttrokken aan het gevecht. De rechtbank is van oordeel dat onder die omstandigheden het gedrag van verdachte, namelijk het met een mes toebrengen van een steekwond, niet getuigt van de wil om te verdedigen, maar van het inzetten van een (tegen)aanval tijdens de deelname aan het onderlinge gevecht met het slachtoffer. Het beroep op noodweer wordt verworpen. Noodweerexces Omdat verdachte niet heeft gehandeld uit noodweer kan zich niet de situatie voordoen dat verdachte te ver is gegaan in die verdediging en dit brengt met zich mee dat ook het beroep op noodweerexces niet kan slagen. Conclusie Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert toepassing van het jeugdstrafrecht en aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 120 dagen, waarvan 83 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest (dat de officier van justitie becijfert op 37 dagen) en met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast vordert de officier van justitie een werkstraf van 180 uur. Bij haar eis heeft de officier van justitie in strafmatigende zin rekening gehouden met het tijdsverloop tot de inhoudelijke behandeling ter zitting, alsmede met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn blanco strafblad. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat – in het geval van een bewezenverklaring – het jeugdstrafrecht moet worden toegepast, gelet op de adviezen van de deskundigen. De verdediging bepleit een schuldigverklaring zonder strafoplegging, dan wel een onvoorwaardelijke straf gelijk aan het voorarrest en indien nodig een voorwaardelijke straf. In strafmatigende zin moet rekening worden houden met het blanco strafblad van verdachte, het letsel dat hij zelf heeft opgelopen door de confrontatie en de overschrijding van de redelijke termijn. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer in de borst steken. Het slachtoffer is hierbij ernstig gewond geraakt. Het slachtoffer heeft letsel aan zijn linkerlong en aan zijn lever opgelopen, waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was. Het slachtoffer heeft een aantal dagen in het ziekenhuis moeten liggen en meerdere littekens overgehouden aan het incident. Uit de verklaringen van het slachtoffer blijkt dat het slachtoffer veel pijn heeft gehad door het letsel en nog steeds last heeft van de gevolgen van het feit. Zo durft hij uit angst voor schade aan zijn lichaam niet te sporten, en blijft hij door zijn littekens telkens geconfronteerd worden met hetgeen er is gebeurd. Hij ervaart nog steeds angst en verdriet en heeft last van nachtmerries. Verdachte heeft door zijn handelen op brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, waar het slachtoffer nog steeds fysiek en psychisch de gevolgen van draagt. De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad d.d. 4 januari 2021 van verdachte, waaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten. Deskundigen Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van de gedragsdeskundige [psycholoog] , GZ-psycholoog, van 29 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.