RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 21/3734 TOZO VV uitspraak van 1 oktober 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [namen verzoekers], verzoekers, gemachtigde: UnitedLegal, en het dagelijks bestuur van Werkplein Hart van West-Brabant, verweerder. Procesverloop Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 21 juli 2021 van het Werkplein (bestreden besluit) inzake de afwijzing van hun aanvraag voor een overbruggingsregeling op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (TOZO). Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven. Overwegingen
- Bij besluit van 6 mei 2021 is de aanvraag van verzoekers voor een overbruggingsregeling op grond van de TOZO afgewezen. Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dat verzoek is afgewezen bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 1 juni 2021, zaaknummer BRE 21/2102 TOZO. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van verzoekers door het Werkplein ongegrond verklaard.
- Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
- Uit het verzoekschrift kan worden afgeleid dat de financiële omstandigheden van verzoekers mogelijk een spoedeisend belang opleveren, nu zij stellen dat zij hun huurwoning zijn kwijtgeraakt en zij voor hun levensonderhoud zijn aangewezen op naasten en familie. Bij brief van 13 september 2021 heeft de griffier verzoekers daarom (onder meer) verzocht om binnen één week te onderbouwen waarom zij in zodanige omstandigheden verkeren dat niet kan worden verlangd dat de uitkomst van de beroepsprocedure wordt afgewacht. Daarbij is gevraagd om in ieder geval een overzicht van hun inkomsten, vaste lasten, spaargelden of andere vermogensbestanddelen over te leggen. Verzoekers hebben niet gereageerd op deze brief. Nu verzoekers (helemaal) geen inzicht in hun financiële situatie hebben gegeven, is onvoldoende gebleken dat er sprake is van een spoedeisend belang. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 1 oktober 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.