RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02/688003-19 vonnis van de meervoudige kamer van 14 oktober 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] wonende aan de [adres 1] raadsvrouw mr. H.A.F.C. Tack, advocaat te Amsterdam. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 september 2021. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen haar gemachtigde raadsman mr. A.D. Kloosterman, waarnemend voor zijn kantoorgenote mr. Tack. De officier van justitie, mr. G. Oosterveld, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van uitlokking van het medeplegen van diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbend. Subsidiair is dit feit ten laste gelegd als het medeplegen van medeplichtigheid aan het medeplegen van deze diefstal. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft gepleegd. De enige van wie [naam 1] haar informatie heeft kunnen krijgen waren medeverdachte [medeverdachte] of verdachte. Verdachte heeft [naam 1] samen met medeverdachte [medeverdachte] van België naar Nederland gebracht en verdachte en [medeverdachte] hebben haar de woning van [naam 2] laten zien. Verdachte heeft samen met [naam 1] de dag erna, dus de dag van de diefstal, nog een verkenning bij de woning van [naam 2] gedaan en zij heeft [naam 1] na de diefstal veelvuldig gebeld. Dit alles maakt dat er sprake is van het medeplegen van uitlokking van de diefstal met geweld. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van enig feit kan komen. Het dossier bevat onvoldoende bewijs voor de bewezenverklaring van uitlokkingsmiddelen. Ook kan niet worden bewezen dat verdachte gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft. Er is op geen enkel moment in de aanwezigheid van verdachte gesproken over de planning van een diefstal, al dan niet met geweld, van hennep uit de woning van [naam 2] . Verdachte ontkent dat er een gesprek is geweest in de auto waarbij medeverdachte [medeverdachte] aan [naam 1] heeft gevraagd of zij mensen kende die een klus voor hem wilden uitvoeren en zij is enkel uit nieuwsgierigheid meegereisd naar de woning van [naam 2] . 4.3 Het oordeel van de rechtbank Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het volgende. In de nacht van 19 op 20 maart 2017 heeft in de woning aan de [adres 2] een ernstig geweldsincident plaatsgevonden. De hennepkwekerij die zich in deze woning bevond is hierbij geript. In de woning werd het levenloze lichaam van de bewoner, [naam 2] , gevonden. In het onderzoek genaamd Pamplona zijn door de rechtbank reeds vier verdachten, waaronder [naam 1] , veroordeeld tot forse celstraffen voor het medeplegen van gekwalificeerde doodslag. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte ook op enige wijze betrokken is geweest bij de diefstal met geweld waarbij [naam 2] om het leven is gekomen. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] samen met [naam 1] op 18 maart 2017 van België naar Nederland zijn gereden. Op basis van de verkeers- en locatiegegevens die door de politie zijn opgevraagd kan een beeld worden geschetst van de reisbewegingen die verdachte de dag voor de dood van [naam 2] heeft gemaakt. Op 19 maart 2021 om 4:15 straalt haar telefoon aan in Hoogerheide. Opvallend is dat slechts dertien minuten hiervoor, om 4:02 uur, de telefoon van [naam 1] een zendmast in Rilland heeft aangestraald en dat de telefoon van [medeverdachte] op nagenoeg hetzelfde tijdstip, namelijk om 4.03 uur, dezelfde zendmast in Rilland aanstraalde. Hoogerheide ligt tussen Rilland en Bergen op Zoom, de woonplaats van [medeverdachte] , in en volgens ‘’Google maps’’ duurt het ongeveer dertien minuten om van Rilland naar Hoogerheide te rijden. De rechtbank heeft dan ook het sterke vermoeden dat verdachte die nacht samen met [medeverdachte] en [naam 1] naar Rilland is gereden, waarna zij samen weer naar de woning van [medeverdachte] zijn gegaan. Voorts is op camerabeelden in de omgeving van de woning van [naam 2] te zien dat verdachte op 19 maart 2017, de avond van de dood van [naam 2] , samen met [naam 1] en twee andere mannen in een Opel Vectra is gestapt, waarna zij meerdere keren door de straat waarin [naam 2] woonde zijn gereden. Na de diefstal waarbij [naam 2] is komen te overlijden heeft verdachte ook veelvuldig telefonisch contact gehad met [naam 1] . De rechtbank stelt op basis van het vorenstaande vast dat verdachte aanwezig is geweest bij de voorbereiding op dan wel de aanloop naar de diefstal met geweld waarbij [naam 2] is overleden. De rechtbank kan de precieze rol van verdachte echter niet duiden. Hoewel de rechtbank de verklaring van verdachte dat zij nergens iets van weet ongeloofwaardig vindt, volgt uit het dossier niet dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid en locatie van de hennepkwekerij en dat de hennep oogstrijp was. Alleen [naam 1] heeft hierover verklaard, maar deze verklaring wordt niet ondersteund door andere objectieve bewijsmiddelen. Daarbij heeft de rechtbank wel het vermoeden dat verdachte op 19 maart 2017 omstreeks 4:00 uur samen met [medeverdachte] en [naam 1] in Rilland was, maar zij kan dit niet vaststellen. De telefoon van verdachte straalt immers niet aan in Rilland, maar alleen in Hoogerheide. Ook het feit dat verdachte de avond van 19 maart 2017 met [naam 1] en twee anderen enkele keren door de straat van [naam 2] is gereden is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat zij wetenschap had van (de locatie van) de kwekerij, hierover heeft verteld of de locatie hiervan heeft aangewezen. In de nacht van 18 op 19 maart 2017 is [naam 1] met in ieder geval [medeverdachte] in Rilland geweest en zijn zij samen door de straat van [naam 2] gereden. [naam 1] had dus al wetenschap van de locatie van de kwekerij en had verdachte op de avond van 19 maart 2017 niet nodig om deze locatie aan te wijzen. De andere handelingen die ten laste zijn gelegd, namelijk het tegen [naam 1] zeggen dat zij werk voor haar had en het in het vooruitzicht stellen van 1000,-- euro volgen uitsluitend uit de verklaring van [naam 1] en worden niet door andere bewijsmiddelen ondersteund. Conclusie Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat verdachte op de hoogte was van het feit dat zich een oogstrijpe hennepkwekerij in de woning van [naam 2] bevond, noch dat zij handelingen heeft verricht die kunnen worden gekwalificeerd als uitlokkings- of medeplichtigheidshandelingen. Het enkel samen met [naam 1] en medeverdachte [medeverdachte] van België naar Nederland reizen, al dan niet via het adres van [naam 2] is hiervoor onvoldoende. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft begaan en zal haar dan ook van dit feit vrijspreken. 5De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit. Dit vonnis is gewezen door mr. M. van de Wetering, voorzitter, mr. S.W.M. Speekenbrink en mr. M.E. de Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Heitzman, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 oktober 2021.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.