RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 21/3407 GEMWT VV uitspraak van 14 oktober 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoekers] , te [vestigingsplaats verzoekers] , verzoekster, gemachtigde: mr. R.J.G. Ensink, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk, het college. Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam belanghebbenden] , te [woonplaats belanghebbenden] , gemachtigde: mr. P.R. Botman. Procesverloop Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 juli 2021 (bestreden besluit) van het college inzake het opleggen van een last onder dwangsom in verband met het gebruiken van de woning op het perceel [adres perceel] te [plaats perceel] in strijd met het bestemmingsplan door steeds tijdelijke buitenlandse werknemers op dit adres te laten verblijven. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 30 september 2021. Verzoekster is verschenen bij haar directeur [naam directeur] , bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J.C.A. Hamers en S. Bierkens. Overwegingen Feiten 1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 11 januari 2021 hebben [naam belanghebbenden] , woonachtig op het adres [adres belanghebbenden] te [woonplaats belanghebbenden] , het college verzocht om handhavend op te treden tegen de bewoning van het pand [adres perceel] 56 te [plaats perceel] door meerdere buitenlande arbeidsmigranten. Bij brief van 1 april 2021 heeft het college aangegeven tijdens een controle te hebben geconstateerd dat er op het adres tijdelijk wordt verbleven door buitenlandse werknemers. Dit gebruik is in strijd met het bestemmingsplan en kan niet worden gelegaliseerd. Aangegeven is dat na een periode van acht weken een hercontrole wordt uitgevoerd. Als de overtreding niet is beëindigd ontvangt verzoekster een voornemen van een last onder dwangsom. Verzoekster heeft op deze brief gereageerd. Op 7 juli 2021 heeft het college het voornemen kenbaar gemaakt een last onder dwangsom op te leggen aan verzoekster vanwege het gebruiken van de woning aan [adres perceel] te [plaats perceel] in strijd met het bestemmingsplan door steeds tijdelijk verschillende buitenlandse werknemers op dit adres te laten verblijven. Verzoekster heeft een zienswijze ingediend. Bij het bestreden besluit van 28 juli 2021 heeft het college verzoekster gelast om binnen acht weken na verzending van het besluit de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) te beëindigen en beëindigd te houden, door de woning [adres perceel] in [plaats perceel] niet meer te laten gebruiken voor de tijdelijke huisvesting van steeds wisselende buitenlandse werknemers (arbeidsmigranten). Indien verzoekster dit niet of niet volledig binnen de genoemde termijn doet verbeurt zij na afloop van de termijn een bedrag van € 1.500,- per constatering per week, met een maximum van € 15.000,-. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht het besluit van 28 juli 2021 te schorsen totdat het college heeft beslist op het ingediende bezwaar. Het college heeft aangegeven de begunstigingstermijn te verlengen tot een week na de uitspraak van de voorzieningenrechter. Standpunt verzoekster 2. Verzoekster heeft, samengevat, aangevoerd dat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Op het perceel rust de bestemming ‘wonen’. In het bestemmingsplan is aangegeven dat een woning is bestemd voor de huisvesting van één houdhouden. Uit begripsbepaling van ‘huishouden’ volgt dat sprake dient te zijn van ‘enige mate van verbondenheid en continuïteit’ in de samenstelling van een groep personen die in de woning wordt gehuisvest. Volgens verzoekster is sprake van onderlinge verbondenheid, aangezien de bewoners gebruik maken van dezelfde voorzieningen zoals keuken, sanitair en entree. Het begrip continuïteit is in de planregels niet nader omgeschreven. Het college legt dit begrip uit aan de hand van het algemeen spraakgebruik en spreekt over duurzaamheid. Duurzaamheid is echter geen criterium. Er is sprake van ononderbroken voortzetting. Nu niet evident is wat onder ‘continuïteit’ wordt verstaan in begrip ‘huishouden’, kan niet worden gesteld dat de planregels zijn overtreden. Er is volgens verzoekster geen grondslag voor handhavend optreden. Verzoekster stelt verder dat de begunstigingstermijn te kort is. Zij beschikt niet over alternatieve huisvesting voor de werknemers. Door krapte op de arbeidsmarkt dreigen de bewoners dakloos te worden. De dwangsom is verder volgens verzoekster te hoog Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen. Voorlopige voorziening 3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet. Wettelijk kader 4.1 Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Artikel 125 van de Gemeentewet luidt: 1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. 2. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last onder bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert. Artikel 5:4, tweede lid, van Awb bepaalt dat een bestuurlijke sanctie slechts wordt opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven. Artikel 5:31d van de Awb bepaalt dat onder een last onder dwangsom wordt verstaan de herstelsanctie inhoudende: a. de last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. Artikel 5:32, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen. Artikel 5:32b, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de bedragen van de vastgestelde dwangsom in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. 4.2 Op grond van de ter plaatse geldende bestemmingsplannen ‘ [naam bestemmingsplan 1] ’ en het ‘ [naam bestemmingsplan 2] ’ rust op het onderhavige perceel de bestemming ‘wonen’. In de begripsomschrijving zijn onder meer de volgende begrippen opgenomen: -Wonen: het houden van verblijf, het huren of het gehuisvest zijn in een woning; -Woning: een complex van ruimten, niet zijde onzelfstandige woonruimte, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden. -Huishouden: een zelfstandig(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.