RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20 / 10304 PW uitspraak van 18 oktober 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres, gemachtigde: mr. M.H. Steenbergen, en het dagelijks bestuur van Werkplein Hart van West-Brabant, verweerder (het Werkplein). Procesverloop Eiseres heeft op 22 december 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van 17 december 2020 (bestreden besluit) van het Werkplein over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiseres tegen de e-mail over de teruggave van het eigen risico van de collectieve ziektekostenverzekering bij CZ. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 2 september
- Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Werkplein heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger verweerder] . Overwegingen
- Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres ontvangt van het Werkplein een uitkering op grond van de Participatiewet. Eiseres is voor haar ziektekosten verzekerd bij het CZ. Zij heeft van het CZ bericht gekregen dat het niet verbruikte deel van het verplicht eigen risico is overgemaakt aan het Werkplein. In een e-mail van 24 mei 2020 heeft eiseres aan het Werkplein gevraagd om de voorwaarden inzake de collectieve ziektekostenverzekering en waarom het restant eigen risico niet aan haar wordt uitbetaald. In twee e-mails van 27 juli 2020 heeft het Werkplein eiseres informatie verstrekt over de collectieve ziektekostenverzekering en haar uitgelegd dat teruggave van het verplicht eigen risico niet mogelijk is. Bij brief van 8 november 2020 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de e-mails van 27 juli
- Het Werkplein heeft het bezwaarschrift ontvangen op 10 november
- Bij bestreden besluit van 17 december 2020 heeft het Werkplein het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet is gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat door het Werkplein wel degelijk een besluit is genomen betreffende de teruggave van overgebleven eigen risico.
- In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling die naar zijn aard op rechtsgevolg is gericht. Op grond van artikel 7:1 in samenhang met artikel 8:1 van de Awb kan alleen bezwaar worden gemaakt tegen een besluit. 4.1 De vraag die bij de rechtbank voorligt is of het Werkplein terecht het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daaraan gaat de vraag vooraf of de e-mailberichten van 27 juli 2020 zijn aan te merken als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb. 4.2 Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de e-mailberichten van 27 juli 2020 niet worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De berichten zijn alleen informatief van aard en zijn niet op rechtgevolg gericht. Zij hebben slechts als doel eiseres uitleg te geven over de ‘Beleidsregel collectieve zorgverzekering voor minima van de gemeente Rucphen’ en de afspraken die daarover zijn gemaakt met het CZ. De berichten veranderen op zichzelf niets in de rechtspositie van eiseres. Nu de e-mailberichten van 27 juli 2020 geen besluiten zijn in de zin van de Awb, kon hiertegen op grond van de Awb geen bezwaar worden gemaakt.
- De rechtbank is van oordeel dat het Werkplein het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
- Nu het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
- De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van B.C. van Sprundel-Thelosen, griffier op 18 oktober 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.