RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/216987-20 vonnis van de meervoudige kamer van 11 februari 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1984, te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , raadsman mr. B. Kurvers, advocaat te ’s-Hertogenbosch. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 januari 2021, waarbij de officier van justitie, mr. De Pagter, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting heeft de heer [naam] gebruik gemaakt van het spreekrecht. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij een ander is overleden. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde, te weten overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), gelet op de navolgende omstandigheden. Verdachte was bekend op de plaats van het ongeval, kwam daar regelmatig en wist dat hij een kruising naderde waar van rechts komend verkeer voorrang had. Hij reed iets harder dan de maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. Verdachte wist dat het zicht enigszins gehinderd kon worden door een daar aanwezige coniferenhaag en heeft verklaard dat je op die plek praktisch moet stoppen om goed te zien of er verkeer aankomt. Er kwam een terminal trekker aan die hem ook nog het zicht belemmerde en toen heeft hij niet geremd, maar enkel het gas losgelaten. Hij heeft geen snelheid geminderd, is de kruising opgereden en in botsing gekomen met de bus van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), waardoor [slachtoffer] is komen te overlijden. Door dit handelen heeft hij aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank en stelt zich hierbij op het standpunt dat de gradatie van schuld, zoals door de officier van justitie is aangegeven, te weten dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden, juist is. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Aan de rechtbank ligt de vraag voor of het aan de schuld van verdachte te wijten is dat het verkeersongeval, met dodelijke afloop, heeft plaatsgevonden en zijn handelen aldus kan worden gekwalificeerd als een overtreding van artikel 6 WVW. Schuld in deze zin is aanwezig als vastgesteld kan worden dat sprake is van minstens een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Hierbij moet gekeken worden naar het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het ongeval. Daarbij verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Van schuld in deze zin is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Niet elk tekortschieten, niet elke verkeersovertreding, is voldoende voor het aannemen van schuld. Het gaat erom of het rijgedrag (aanmerkelijk) onder de maat is gebleven van wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld mag worden verwacht. De kern van de onvoorzichtigheid schuilt in het kunnen voorzien dat het gevolg (het ongeval) door de onvoorzichtige gedraging kan intreden. Het desondanks verrichten van die gedraging is in beginsel onvoorzichtig, tenzij sprake is van een rechtvaardigingsgrond. Met verwijtbaarheid wordt gedoeld op vermijdbaarheid. De betrokkene moet anders hebben kunnen handelen. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het navolgende vast. Op 9 december 2019, omstreeks 10.29 uur, reed verdachte in zijn bedrijfsauto over de Heieinde te Tilburg. Hij naderde de kruising van de Heieinde met de Rodenberg en de Apollostraat. Op dat moment stak een terminal trekker voor verdachte van links naar rechts de kruising over, waardoor het zicht van verdachte naar rechts werd belemmerd. Verdachte reed met een snelheid van ongeveer 60 kilometer per uur richting de kruising en kwam met een snelheid van 53 kilometer per uur op de kruising in botsing met de bedrijfsauto waarin [slachtoffer] reed. [slachtoffer] kwam van rechts en had voorrang. [slachtoffer] kwam ter plaatse te overlijden. Verdachte heeft verklaard net voor de kruising wel het gas te hebben losgelaten, maar niet te hebben geremd. De rechtbank is van oordeel dat dit ongeval verdachte te verwijten is en dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Verdachte is met een te hoge snelheid de kruising genaderd en opgereden. Zijn snelheid bij het naderen van de kruising was hoger dan de geldende maximum snelheid én gelet op de hierna te noemen verkeersomstandigheden, was zijn snelheid op de kruising zelf veel te hoog. Verdachte naderde een kruising waarover hij zelf verklaart dat hij vanwege het passeren van de terminal trekker niets zag. Hij verklaart eveneens dat zijn zicht werd gehinderd door de coniferen aan de rechterkant van de weg. Verdachte was ter plaatse goed bekend en, zoals hij zelf verwoordt: “Je moet daar bijna praktisch stoppen om te kunnen zien wat eraan komt. (…) Je ziet elkaar pas op de kruising.” Daar komt bij dat het op dat moment regende en dat het wegdek nat was. In die ongunstige omstandigheden heeft verdachte bij het opgaan van de kruising de keuze gemaakt om niet te remmen, maar slechts het gas los te laten. Verdachte heeft niet geanticipeerd op de mogelijkheid dat er verkeer van rechts zou komen, maar heeft een heel groot risico genomen door gelijk achter de terminal trekker door te rijden zonder voldoende af te remmen en te kijken of er verkeer van rechts zou komen, dat voorrang op hem zou hebben. Hij heeft daardoor de bedrijfsauto van [slachtoffer] niet op tijd gezien en heeft daardoor geen voorrang kunnen verlenen aan [slachtoffer] . Hierdoor is de bedrijfsauto van verdachte in botsing gekomen met de bedrijfsauto van [slachtoffer] . De kern van de verwijtbaarheid betreft de vermijdbaarheid in de hiervoor bedoelde zin. Uit de verklaringen van verdachte zelf volgt immers dat hij heeft kunnen voorzien dat door zijn risicovolle rijgedrag een ongeval kon plaatsvinden. Desondanks, in de benoemde verkeersomstandigheden, de keuze maken om snel het kruispunt over te steken, betreft rijgedrag dat ver onder de maat blijft van wat een gemiddelde automobilist mag worden verwacht. Gelet op dit samenstel van gedragingen en omstandigheden is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat sprake is van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte Primair: op 9 december 2019 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Heieinde, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, onvoorzichtig en onoplettend,- een kruising, te weten de kruising van de Heieinde met de Rodenberg en de Apollostraat, op te rijden met een te hoge snelheid, in elk geval met een snelheid die hoger lag dan verantwoord was voor een veilig verkeer ter plaatse, en- (hierbij) zijn snelheid niet heeft verminderd en aangepast aan de verkeerssituatie ter plaatse, en - vervolgens op die kruising geen voorrang heeft verleend aan een voor hem van rechts komend motorrijtuig dat werd bestuurd door [slachtoffer] , en - vervolgens met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing is gekomen met voornoemd motorrijtuig, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 240 uren en een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van 1 jaar. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht de door de officier van justitie geëiste straf enigszins te matigen of deels in voorwaardelijke vorm op te leggen. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een heftig verkeersongeval. Verdachte heeft er bewust voor gekozen om, ondanks dat zijn (over)zicht werd belemmerd, met hoge snelheid een kruising over te steken met alle risico’s van dien. Die risico’s hebben zich verwezenlijkt in een botsing met de bedrijfsauto waarin [slachtoffer] reed. [slachtoffer] is als gevolg van de botsing ter plaatse overleden. De familie [familie slachtoffer] is onherstelbaar leed en verdriet aangedaan. De zwager van [slachtoffer] , de heer [naam] , heeft ter zitting treffend verwoord wat de grote impact van het verlies is op hun leven. De rechtbank realiseert zich terdege dat geen enkele op te leggen straf in verhouding staat tot het leed van de nabestaanden en het feit dat zij hun zoon, broer en zwager nu moeten missen. Bij haar beslissing over de strafmodaliteit en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank is tot een zwaardere mate van schuld gekomen dan de officier van justitie. De oriëntatiepunten gaan bij een gradatie van ‘ernstige schuld’ en de dood van het slachtoffer uit van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een rijontzegging voor de duur van 2 jaren. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ter zitting is gebleken dat verdachte het weliswaar moeilijk vond om er woorden voor te vinden, maar dat het feit ook op hem veel impact heeft. Hij is zijn baan kwijtgeraakt en heeft psychische klachten als gevolg van het ongeval. Alles afwegend acht de rechtbank de navolgende straf passend en geboden. De rechtbank zal verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar opleggen, alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uren en een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van 2 jaren. 7De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 8De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: Primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander werd gedood; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar; - bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; - veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren; - beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen; - veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 2 jaar. Dit vonnis is gewezen door mr. Broeders, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Diepenhorst, rechters, in tegenwoordigheid van Schuurmans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 februari 2021. Mr. Kooijman is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I De tenlastelegging hij op of omstreeks 9 december 2019 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Heieinde, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - een kruising, te weten de kruising van de Heieinde met de Rodenberg en de Apollostraat, op te rijden met een te hoge snelheid, in elk geval met een snelheid die hoger lag dan verantwoord was voor een veilig verkeer ter plaatse, en/of - ( hierbij) zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate, heeft verminderd en/of aangepast aan de verkeerssituatie ter plaatse, en/of - vervolgens op die kruising geen voorrang heeft verleend aan een voor hem van rechts komend motorrijtuig dat werd bestuurd door [slachtoffer] , en/of - vervolgens met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing is gekomen met voornoemd motorrijtuig, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood; (Artikel art 6 Wegenverkeerswet 1994) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 9 december 2019 te Tilburg als bestuurder van een voertuig (een bestelbus), daarmee rijdende op de weg, de Heieinde, - een kruising, te weten de kruising van de Heieinde met de Rodenberg en de Apollostraat, met een te hoge snelheid, in elk geval met een snelheid die hoger lag dan verantwoord was voor een veilig verkeer te plaatse, is opgereden, en/of - ( hierbij) zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate, heeft verminderd en/of aangepast aan de verkeerssituatie ter plaatse, en/of - vervolgens op die kruising geen voorrang heeft verleend aan een voor hem van rechts komend motorrijtuig dat werd bestuurd door [slachtoffer] , en/of - vervolgens met het door hem bestuurde motorrijtuig is in botsing is gekomen met voornoemd motorrijtuig, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; (Artikel art 5 Wegenverkeerwet 1994) Bijlage II De bewijsmiddelen 1. Het proces-verbaal aanrijding misdrijf, opgenomen op dossierpagina 6 e.v. van het eindproces-verbaal met nummer PL2000-2019295495, inhoudend: (…) Locatie ongeval Datum: 9 december 2019 Omstreeks: 10:29 uur Adres: Apollostraat Plaats Tilburg op de kruising met Rodenberg Adres 5047 SZ Tilburg en op de kruising met Adres: Heieinde Postcode plaats: 5047 SX Tilburg (…) Vermoedelijke toedracht 1) J [verdachte] ; merk/type/kenteken: Volkswagen Crafter / [kenteken 1] 2) [slachtoffer] (overleden); merk/type/kenteken: Mercedes-Benz Sprinter / [kenteken 2] Een bedrijfsauto
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.