RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02-246390-20; 02-305853-19 (tul) vonnis van de meervoudige kamer van 25 oktober 2021 in de strafzaak tegen [Verdachte] geboren op [Geboortedag] 2002 te [Geboorteplaats] thans uit anderen hoofde gedetineerd in de RJJI De Hunnerberg, Berg en Dalseweg 287, 6522 CH Nijmegen, raadsvrouw mr. S. van Steenberge, advocaat te Terneuzen. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 oktober 2021, waarbij de officier van justitie, mr. C.M.J.M. van Buul, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte aangeefster [Aangeefster] met een mes in de flank heeft gestoken, in verschillende juridische varianten ten laste gelegd. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. Het is verdachte geweest die aangeefster heeft gestoken, gelet op de verklaringen van getuige [Naam 1] , [Naam 2] en [Naam 3] en gelet op het feit dat op het lemmet van het mes van verdachte bloed is aangetroffen en dit bemonsterde bloed een DNA-match heeft opgeleverd met het DNA van zowel aangeefster als verdachte. Verdachte heeft door met een mes om zich heen te zwaaien en te steken in een vechtende menigte, waarbij verschillende mensen zich op zeer korte afstand van verdachte bevonden, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij iemand zou raken en dat diegene daardoor zwaar lichamelijk letsel op zou kunnen lopen. De officier van justitie heeft aangevoerd dat noodweer niet aannemelijk is geworden. Er was weliswaar sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, nu verdachte werd aangevallen door een grote groep personen, maar verdachte heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het zwaaien en/of steken met een mes met een diepe steekwond tot gevolg een proportionele verdedigingshandeling was tegen deze aanranding. Verdachte heeft niet gezien dat hij werd aangevallen door mensen met een mes, maar alleen dat hij werd geschopt en geslagen. Verdachte zegt dat hij geen mes heeft gebruikt. Hij verklaart niet over de noodzaak om te zwaaien/steken met een mes. Dat maakt dat niet valt te beoordelen of verdachte anders had kunnen en moeten reageren. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is primair van mening dat verdachte volledig vrijgesproken moet worden van het ten laste gelegde feit. Verdachte is niet degene geweest die aangeefster heeft verwond. Uit het dossier blijkt niet op welk moment aangeefster is gestoken, door wie en waar zij zich op dat moment bevond. Verdachte heeft wel een mes vastgehad, maar heeft dat slechts opgepakt tijdens het gevecht. Gelet op de verklaring van getuige [Naam 4] , die ook steekwonden zou hebben opgelopen maar niet in de buurt van verdachte is geweest, is de verklaring van verdachte dat ook andere personen messen bij zich hadden, aannemelijk. De verklaring van getuige [Naam 1] , dat verdachte met een mes om zich heen aan het steken was, wordt niet ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. Ook op grond van het onderzoek naar het DNA-materiaal op het mes dat verdachte heeft opgepakt, staat niet vast dat dat het mes is waarmee aangeefster is verwond. Het aangetroffen bloed op het mes kan van diverse personen zijn geweest. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte zich noodzakelijkerwijs heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanval. Verdachte werd aangevallen door 20 tot 30 personen die – gelet op de verwondingen van verdachte – messen bij zich hadden. Verdachte diende zich te verdedigen en heeft door met het mes te zwaaien gehandeld op een wijze die past binnen de maatstaf van de redelijkheid. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Verdachte was op 30 september 2020 aanwezig op de kermis in Goes. Aangeefster was daar ook aanwezig als beveiliger. Op het moment dat verdachte van de beveiliging het kermisterrein moest verlaten, werd hij aangevallen door een groep van minimaal 20 personen. Aangeefster is ertussen gesprongen en heeft geprobeerd de mensen uit elkaar te halen door aan capuchons te trekken. Op enig moment is aangeefster tegen een hek aan geduwd en door een collega uit de vechtpartij getrokken. Nadien bleek zij een steekwond in haar rechterflank te hebben opgelopen tijdens de vechtpartij. Door niemand is gezien door wie, waar en wanneer zij is gestoken. Heeft verdachte het letsel bij aangeefster toegebracht? Op basis van de stukken staat vast dat verdachte na de vechtpartij een mes voorhanden had, dat door een beveiliger van hem is afgenomen en vervolgens aan de politie is overdragen. Dit mes bevatte bloed aan het lemmet en was volgens de politie een uitklapbaar zakmes van ruim 15 centimeter lang. Er is DNA-onderzoek aan dit bloedspoor verricht. Alhoewel niet kan worden vastgesteld van wie het bloed afkomstig is, is wel gebleken dat het spoor DNA bevat van minimaal vier personen, waaronder in ieder geval verdachte en aangeefster. Het door verdachte geschetste scenario, dat hij het bij hem in beslag genomen mes slechts heeft opgeraapt en direct heeft afgegeven aan een beveiliger en dat dus iemand anders aangeefster moet hebben gestoken, is niet aannemelijk geworden. In dat verband overweegt de rechtbank het volgende. Getuigen [Naam 1] , [Naam 2] en [Naam 3] hebben gezien dat verdachte tijdens de vechtpartij een mes in zijn hand had. [Naam 1] en [Naam 2] hebben tevens gezien dat verdachte zwaaiende en /of stekende bewegingen met dit mes heeft gemaakt. [Naam 2] heeft verder verklaard dat het een mes van ongeveer 15 centimeter groot was, wat past bij de omschrijving die de politie heeft gegeven van het mes dat verdachte na de vechtpartij voorhanden had. Getuige [Naam 1] heeft verklaard dat aangeefster er als eerste tussen stond toen verdachte met het mes op de grond lag. Verder heeft getuige [Naam 1] verklaard dat verdachte het mes uit zijn jack van zijn trainingspak haalde. Dat verdachte een mes bij zich had, vindt steun in de verklaring van verdachte tegenover de politie bij de HAP, namelijk dat hij altijd een zakmes op zak heeft en waarbij hij ook de grootte van dat mes heeft aangegeven. Hoewel verdachte bij die gelegenheid ook heeft verklaard dat hij zijn mes van te voren bij binnenkomst heeft afgegeven bij de beveiliging, wordt dat weersproken door de verklaring van [Naam 3] , die samen met verdachte naar de kermis toe is gegaan, dat er die avond bij binnenkomst bij de kermis niet werd gefouilleerd. Tot slot is een flink aantal getuigen gehoord die op enige wijze betrokken waren bij de vechtpartij. Geen van deze getuigen heeft een mes gezien bij de andere deelnemers aan de vechtpartij. Naar het oordeel van de rechtbank is het door verdachte geschetste scenario, gelet op de tegenstrijdigheden in zijn eigen verklaringen en het gebrek aan steun voor zijn verklaring in overige bewijsmiddelen, ongeloofwaardig. Onder de hiervoor omschreven omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het mes dat bij verdachte in beslag is genomen, het mes is geweest waarmee het letsel bij aangeefster is toegebracht, en dat het verdachte is geweest die de steekwond bij aangeefster heeft veroorzaakt door met dat mes te zwaaien en/of stekende bewegingen te maken. Poging zware mishandeling? De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte met zijn handelen vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster. De rechtbank moet daarom beoordelen of sprake was van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster. Voorwaardelijk opzet op een bepaald is gevolg aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Op grond van het dossier is onduidelijk gebleven op welk moment aangeefster is gestoken en waar verdachte en aangeefster zich op dat moment ten opzichte van elkaar bevonden. De rechtbank kan evenmin vaststellen met welke kracht verdachte met het mes heeft gezwaaid of gestoken toen hij aangeefster raakte. Uit de aard en ernst van het letsel kan de rechtbank dit evenmin afleiden. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank onduidelijk of het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel opleverde. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van voorwaardelijk opzet. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de poging tot zware mishandeling. Mishandeling? De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte aangeefster met een mes in de flank heeft gestoken of gesneden. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte aangeefster daarmee ook heeft mishandeld in de zin van de wet. Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad moet onder mishandeling in de zin van de wet worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. De rechtbank zal het beroep van de verdediging op noodweer opvatten als een bewijsverweer aangezien bij een geslaagd beroep op noodweer sprake is van een rechtvaardigingsgrond, op grond waarvan de wederrechtelijkheid van de aan de verdachte verweten mishandeling komt te ontvallen, wat tot vrijspraak zou moeten leiden. Noodweer? Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daartoe heeft de verdediging de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd. Verdachte werd aangevallen door een groep van 20 tot 30 personen met messen. Hij kon geen kant op en diende zich te verdedigen tegen deze wederrechtelijke aanranding. Verdachte heeft een mes gepakt en ermee gezwaaid, om de aanval te stoppen en te ontkomen. Er stonden op dat moment geen omstanders nabij verdachte en de vraag is onbeantwoord gebleven wie aangeefster heeft geraakt. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier volgt dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door een groep van minimaal 20 personen tegen verdachte. In zoverre acht de rechtbank de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, aannemelijk geworden. De rechtbank is echter van oordeel dat deze feiten en omstandigheden niet zonder meer een verdedigingshandeling richting aangeefster rechtvaardigen. Hoewel de gedragingen van de groep van 20 personen kunnen worden aangemerkt als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens verdachte, kunnen de gedragingen van aangeefster niet als zodanig worden aangemerkt. Uit het dossier volgt immers dat aangeefster als beveiligster (herkenbaar aan een groene jas) heeft geprobeerd de mensen uit elkaar te halen door aan capuchons te trekken. Er zijn geen feiten of omstandigheden met betrekking tot de vechtpartij naar voren gekomen die aannemelijk maken dat verdachte zich tegenover aangeefster moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Verdachte heeft daar zelf niet over verklaard. Namens verdachte is subsidiair slechts gesteld dat hij werd aangevallen door 20 tot 30 personen met messen, dat hij geen kant op kon en met het mes heeft gezwaaid. Niet gebleken is dat verdachte tijdens het gevecht geen onderscheid meer kon en hoefde te maken tussen de groep aanvallers en aangeefster, waarbij de rechtbank in het bijzonder in aanmerking neemt dat aangeefster als beveiligster herkenbaar was aan een groene jas. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat ten opzichte van aangeefster sprake was van een noodweersituatie. Het verweer wordt verworpen. Nu het beroep op noodweer wordt verworpen, is er geen sprake van een rechtvaardigingsgrond voor het handelen van verdachte. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster heeft mishandeld in de zin van de wet, omdat hij een ander lichamelijk letsel en pijn heeft toegebracht zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 30 september 2020 te Goes, [Aangeefster] heeftmishandeld door die [Aangeefster] met een mes in de flank te steken/snijden. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest. Zij heeft bij haar eis in strafverzwarende zin rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten, en met de omstandigheid dat verdachte een mes voorhanden had. In strafmatigende zin houdt zij er rekening mee dat verdachte aangevallen werd door een grote groep personen en onder die omstandigheden gehandeld heeft. De officier van justitie acht aanhouding van de strafzaak in afwachting van een persoonlijkheidsonderzoek niet wenselijk, omdat dit vermoedelijk nergens toe zal leiden. Verdachte lijkt niet bereid te zijn om zijn medewerking hieraan te verlenen. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich in verband met de bepleite vrijspraak c.q. ontslag van alle rechtsvervolging niet uitgelaten over de strafoplegging. Gelet op dat pleidooi acht de verdediging aanhouding van de strafzaak in afwachting van een persoonlijkheidsonderzoek niet wenselijk. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van aangeefster door haar in haar flank te steken, terwijl zij als beveiliger aan het werk was. Het slachtoffer heeft daarbij een steekwond opgelopen en daar een blijvend litteken aan overgehouden, waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat het incident aanzienlijke gevolgen heeft gehad voor aangeefster en dat zij er nog steeds veel last van heeft. Uit de verklaring van aangeefster ter zitting blijkt bijvoorbeeld dat zij last heeft gehad van nachtmerries, die pas na het volgen van EMDR-therapie zijn verminderd, en dat zij klachten had die passen bij een post traumatische stress stoornis. Zij durfde na het incident niet meer als beveiliger te werken. Verdachte heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, waar het slachtoffer nog steeds fysiek en psychisch de gevolgen van draagt. De rechtbank houdt in stafverzwarende zin rekening met het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat hij meermalen is veroordeeld voor (gewelds)delicten, waaronder wapenbezit en straatroof. De rechtbank weegt tevens in strafverzwarende zin mee dat verdachte het feit zeer kort na de veroordeling van 20 augustus 2021 heeft gepleegd en in het kader van die veroordeling in een proeftijd liep. Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 23 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.