← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2021:5381

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht Zaaknummer BRE 21/3336 WSFBSF uitspraak van 22 oktober 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiseres] , wonende te [plaatsnaam 1] , eiseres, gemachtigde: mr. P.S. Folsche, en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), gevestigd te [plaatsnaam 2] , verweerder. Procesverloop Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op haar aanvraag voor studiefinanciering voor het kalenderjaar

  1. De rechtbank heeft toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat een behandeling ter zitting achterwege is gebleven. Overwegingen
  2. Op 20 mei 2021 heeft eiseres de minister een brief gestuurd waarin zij meldt al eerder studiefinanciering te hebben aangevraagd, maar voor het kalenderjaar 2021 nog geen besluit te hebben ontvangen. Zij verzoekt de minister binnen twee weken alsnog een beslissing hierover te nemen. Bij besluit van 2 juni 2021 heeft de minister dit verzoek afgewezen omdat eiseres geen aanvraag studiefinanciering voor het kalenderjaar 2021 heeft ingediend. Eiseres heeft op 14 juli 2021 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 juni
  3. Op 30 juli 2021 heeft zij de bezwaargronden aangevuld. Op 30 juli 2021 heeft zij beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag.
  4. De minister stelt dat eiseres op 16 juli 2020 een aanvraag voor studiefinanciering heeft ingediend. Op 3 september 2020 is de aanvraag voor een aanvullende beurs afgewezen. Op 14 oktober 2020 is aan eiseres een collegegeldkrediet toegekend voor
  5. Een nieuwe aanvraag voor een aanvullende beurs is pas ingediend op 7 juni 2021, aldus de minister.
  6. De rechtbank stelt vast dat de minister op 2 juni 2021 heeft besloten dat er geen aanvraag van eiseres meer openstaat waarover nog een besluit genomen moet worden. Het verzoek om dwangsom wordt daarom afgewezen. Tegen dit primaire besluit staat bezwaar open. Eiseres heeft ook bezwaar ingediend. In deze bezwaarprocedure staat de vraag ter discussie of de minister gehouden is over het kalenderjaar 2021 een besluit te nemen over studiefinanciering, dan wel dat daarvoor een nieuwe aanvraag moet worden ingediend.
  7. Naar het oordeel van de rechtbank is dus een primair besluit genomen naar aanleiding van de brief van eiseres van 20 mei
  8. Van een situatie dat sprake is van het uitblijven van een besluit is dus geen sprake. Het geschilpunt over de noodzaak om een nieuwe aanvraag in te dienen kan in de lopende bezwaarprocedure aan de orde komen. Het beroep is daarom (kennelijk) niet-ontvankelijk. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 22 oktober 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.