RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht [xxxx] Zaaknummer: C/02/389751 FA RK 21-4337 beschikking betreffende vervangende toestemming ex artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek in de zaak van [vrouw] , wonende te [xx] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. T.H.J. van Beek, en [man] , wonende te [xxx] , hierna te noemen de man, advocaat mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren.
- Het procesverloop 1.
- Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 10 september 2021 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen; - het op 12 oktober 2021 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek; - het door partijen ondertekende ouderschapsplan. 1.
- De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 25 oktober
- Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidwest Nederland, locatie [xxxx] , hierna te noemen de Raad. 1.
- Na te noemen minderjarige [roepnaam minderjarige] is gelet op haar leeftijd in staat gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. 2De feiten 2.
- Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast: - partijen hebben een relatie met elkaar gehad tot februari 2017; - uit hun relatie zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige] , geboren te [xxxx] op [geboortedatum] 2012,
- [minderjarige2] , geboren te [xxxx] op [geboortedatum2]
- Genoemde kinderen zijn door de man erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarigen; - ingevolge voornoemd ouderschapsplan hebben de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de vrouw; - partijen hebben de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) afgesproken: Even weken: De kinderen verblijven: van maandag tot en met woensdagmiddag bij de vrouw; woensdagavond tot en met vrijdagmiddag bij de man; vrijdagavond tot en met zaterdagmiddag bij de vrouw; zaterdagavond tot maandagmiddag bij de man. Oneven weken: De kinderen verblijven: maandagavond tot en met woensdagmiddag bij de vrouw; woensdagavond tot en met vrijdagmiddag bij de man; vrijdagavond tot zondagavond bij de vrouw. 3De verzoeken De vrouw verzoekt aan haar vervangende toestemming te verlenen om voornoemde minderjarigen in te laten schrijven op de [school] , primair met ingang van 8 november 2021, althans met ingang van 10 januari 2022, althans met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum. De man verzoekt wijziging van de zorgregeling. 4De beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht 4.
- Gelet op de woonplaats van de vrouw in België heeft deze zaak internationaalprivaatrechtelijke aspecten. Volgens artikel 8 van de Verordening Brussel II-bis (hierna: Brussel II-bis) zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de kinderen hun gewone verblijfplaats hebben op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu partijen een bijna gelijkwaardige zorgregeling uitvoeren ziet de rechtbank aanleiding om bij de bepaling van de gewone verblijfplaats van de kinderen aansluiting te zoeken bij voornoemd ouderschapsplan waaruit volgt dat de kinderen het hoofdverblijf hebben bij de vrouw in België en het feit dat zij op het adres van de vrouw in België staan ingeschreven. Dit betekent dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht kan baseren op artikel 8 Brussel II-bis. 4.
- De rechtbank is evenwel van oordeel dat in onderhavige zaak is voldaan aan de eisen die worden gesteld aan prorogatie van rechtsmacht zoals bepaald in artikel 12 lid 3 Brussel II-bis. Immers, nu de man in Nederland woont, partijen en de kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben, partijen altijd samen in Nederland hebben gewoond en de kinderen gemiddeld ongeveer de helft van de week bij de man verblijven is sprake van een nauwe band als bedoeld in artikel 12 lid 3 onder a Brussel II-bis. Nu partijen voorts in hun verzoeken en op de mondelinge behandeling zijn uitgegaan van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter is de rechtbank van oordeel dat tevens is voldaan aan het in artikel 12 lid 3 onder b Brussel II-bis bepaalde, dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op ondubbelzinnige wijze is aanvaard door alle bij de procedure betrokken partijen en wordt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter door het belang van het kind gerechtvaardigd. 4.
- De rechtbank zal Nederlands recht als haar interne recht toepassen. Vervangende toestemming 4.
- Ter onderbouwing van haar verzoek heeft de vrouw aangevoerd dat zij bij de huidige zorgregeling elf keer in veertien dagen heen en weer moet rijden tussen Baarle-Hertog, waar zij woont, en Rijsbergen, waar de kinderen op school zitten en waar de man woont. Dit belemmert de kinderen om af te spreken met klasgenootjes, terwijl buurtgenootjes op een andere school zitten. Als de kinderen in Baarle-Hertog naar school gaan, kunnen zij hun sociale leven richten op Baarle-Hertog. Bovendien gaat het halfzusje van de kinderen te zijner tijd ook in Baarle-Hertog naar school. 4.
- De man voert gemotiveerd verweer. Toen partijen uit elkaar gingen is gezamenlijk besloten dat de kinderen in Rijsbergen naar school zouden gaan. Nadien heeft de vrouw ervoor gekozen te verhuizen naar Baarle-Hertog. De kinderen doen het goed op school in Rijsbergen. Zij hebben geen last van de reisafstand. Verder geldt in België een ander onderwijssysteem. Als de kinderen naar school gaan in Baarle-Hertog kan de huidige zorgregeling niet in stand blijven, omdat de man de reistijd die dan voor hem ontstaat niet kan combineren met zijn werk. De man heeft, om de vrouw tegemoet te komen, bij wijze van zelfstandig verzoek verzocht de zorgregeling zodanig te wijzigen, dat de vrouw minder vaak naar Rijsbergen hoeft te rijden. Op de mondelinge behandeling heeft de man dit verzoek ingetrokken, nadat is gebleken dat de vrouw hier geen prijs op stelt, omdat de kinderen dan meer bij de man en minder bij haar zouden verblijven. 4.
- De Raad heeft op de mondelinge behandeling aangegeven geen aanleiding te zien de kinderen van school te laten veranderen. Dat zou er immers slechts toe leiden dat het probleem zich verplaatst. Bovendien zal de man vanwege zijn werk niet langer in staat zijn de huidige zorgregeling na te komen als de kinderen in Baarle-Hertog naar school gaan. Alleen indien ook de zorgregeling zou worden aangepast, wordt tegemoetgekomen aan de bezwaren van de vrouw tegen de huidige situatie. Dat zou er echter toe leiden dat de kinderen aanzienlijk minder bij hun vader kunnen verblijven en is niet in het belang van de kinderen. De kinderen zijn gewend op hun huidige school, hebben het er naar hun zin en het betreft een overzienbare periode totdat de kinderen naar de middelbare school gaan. 4.
- De rechtbank is met de Raad van oordeel dat verandering van school niet in het belang is van de kinderen en zal het verzoek van de vrouw afwijzen. De rechtbank stelt voorop dat het goed gaat met de kinderen op school in Rijsbergen. Ze hebben het er naar hun zin en hebben er vriendjes. Door van school te veranderen wordt slechts gedeeltelijk, namelijk uitsluitend voor wat betreft haar reistijd, aan de bezwaren van de vrouw tegemoetgekomen. Voor het overige komt de man in de situatie terecht waarin de vrouw zich nu bevindt. Immers, dan zal hij dezelfde reistijd kwijt zijn. Nu de man heeft aangegeven dat zijn werksituatie het niet toelaat dat hij de kinderen naar school in Baarle Hertog brengt en ze daar ophaalt, zal hij de huidige zorgregeling bij verandering van school niet langer kunnen nakomen. Dit acht de rechtbank niet in het belang van de kinderen, die nu ongeveer evenveel tijd doorbrengen bij de man als bij de vrouw. Tot slot concludeert de rechtbank dat, of de kinderen nu in Rijsbergen op school zitten of in Baarle-Hertog, bij de huidige zorgregeling de reistijd voor de kinderen gelijk blijft en ook het bezwaar dat de kinderen na school niet altijd met klasgenootjes kunnen afspreken en dat buurtgenootjes op een andere school zitten onverminderd aanwezig blijft. Ook daarin ziet de rechtbank geen aanleiding om het verzoek van de vrouw toe te wijzen. Wijziging zorgregeling 4.
- Nu de man op de mondelinge behandeling zijn verzoek tot wijziging van de zorgregeling heeft ingetrokken, zullen de gronden van het verzoek niet meer worden onderzocht, om welke reden dat verzoek zal worden afgewezen. Proceskosten 4.
- Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5De beslissing De rechtbank wijst de verzoeken af; compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. Struijs, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse , griffier, in het openbaar uitgesproken op Mededeling van de griffier: Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.