RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 20/6870 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 1 november 2021 van de enkelvoudige kamer in het geding tussen [belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar. Procesverloop De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 juni 2020 het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. De zitting heeft plaatsgevonden op 1 november
- Daar zijn verschenen en gehoord namens de heffingsambtenaar [heffingsambtenaar]. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Overwegingen
- Belanghebbende heeft op 22 mei 2020 een auto met kenteken [kenteken] tot stilstand gebracht aan de Beukenstraat te Tilburg. Tijdens een controle omstreeks 11:27 uur is door middel van een scanauto geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting is betaald. Daarom is aan belanghebbende met dagtekening 25 mei 2020 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. De nageheven belasting bedraagt € 1,- verhoogd met een bedrag van € 54.- vanwege gemaakte kosten.
- In geschil is of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of er sprake is van parkeren, dan wel het onmiddellijk in- en uitstappen van personen. Tussen partijen is niet geschil dat belanghebbende geen parkeerbelasting heeft betaald.
- Belanghebbende stelt dat sprake was van het onmiddellijk in- en uitstappen van personen. Op de betreffende dag heeft belanghebbende de auto uit de parkeergarage gehaald om vervolgens naar Giethoorn te rijden. Om bij de auto in de parkeergarage te komen, heeft belanghebbende gebruik gemaakt van de brandtrap. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij en zijn partner het niet verantwoord vinden om hun puppy van destijds vijf maanden van de brandtrap te tillen en hij er daarom voor heeft gekozen de auto voor te rijden, waar hij vervolgens zijn partner met de puppy aan de kant van de weg heeft laten instappen. Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat hij zijn auto altijd in de parkeergarage behorend bij zijn woning aan de [adres] parkeert en zijn partner voor haar auto in het bezit is van een parkeervergunning om aan de weg te parkeren.
- De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd aangezien sprake was van parkeren. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft hij verwezen naar de door hem overgelegde scangegevens. De heffingsambtenaar stelt verder dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van het onmiddellijk in- en uitstappen van personen. De heffingsambtenaar heeft verder aangevoerd dat op de foto’s niet te zien is dat er iemand in de auto zit.
- Uit vaste rechtspraak volgt dat onder het begrip ‘onmiddellijk in- en uitstappen’ slechts handelingen kunnen worden verstaan die een daadwerkelijk in- en uitstappen uit de auto vormen. Het gedurende twee à drie minuten op de parkeerplaats stilzetten van de auto kan daaronder niet worden begrepen. Het doen staan van een voertuig in een parkeervak is voldoende om belastingplichtig te zijn. Ook als iemand de auto niet verlaat, maar met draaiende motor staat te wachten.
- De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende zijn stelling dat zijn partner met de puppy klaar stond om in te stappen onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de scanfoto’s blijkt immers niet dat er iemand klaar staat om in te stappen en evenmin is hierop te zien dat belanghebbende zich ten tijde van de constatering in de auto bevond. Nu daarmee niet aannemelijk is geworden dat sprake is van het onmiddellijk- in en uitstappen van personen, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.
- Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is ter zitting gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. de Leeuw van Weenen, griffier, op 1 november 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht. Bijlage wettelijk kader Artikel 225, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet
- In het kader van de parkeerregulering kunnen de volgende belastingen worden geheven: a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze; b. (…)
- Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. Artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2020 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. parkeren: het gedurende een aangesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.