RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 21/1111 WABOA uitspraak van 4 november 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , te [naam woonplaats] , eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder. Procesverloop Eiser heeft bij brief van 7 maart 2021 beroep ingesteld tegen het besluit van 1 februari 2021 (bestreden besluit) waarbij het college eisers bezwaar tegen het weigeren van de omgevingsvergunning voor het intern verbouwen van het pand aan de [adres] ongegrond heeft verklaard. Overwegingen
- Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het bezwaar- of beroepschrift ondertekend en bevat het ten minste de gronden van het bezwaar of beroep. Artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb bepaalt dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
- De rechtbank stelt vast dat eiser in het beroepschrift geen gronden van beroep heeft vermeld. De griffier heeft eiser bij brief van 16 maart 2021 erop gewezen dat hij niet had voldaan aan de verplichting gronden te vermelden en heeft eiser daarbij de gelegenheid geboden het verzuim te herstellen binnen een termijn van vier weken na datum van verzending van de brief. Eiser heeft op 15 april 2021 verzocht om uitstel voor het aanleveren van de gronden. Dit verzoek heeft hij op 10 mei 2021 herhaald. Bij brief van 18 mei 2021 heeft de griffier uitstel verleend aan eiser tot vier weken na datum van verzending van de brief. Bij aangetekende brief van 23 juni 2021 heeft de rechtbank eiser medegedeeld dat op het eerdere verzoek om de gronden van beroep in te dienen nog geen reactie is ontvangen. Eiser is verzocht om binnen vier weken na datum van verzending van deze brief alsnog de gronden van beroep toe te sturen. Eiser is er in deze brief op gewezen dat indien er van deze gelegenheid geen gebruik wordt gemaakt, de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren. De rechtbank constateert dat de gestelde termijn is verstreken zonder dat eiser de gronden van het beroep heeft overgelegd. Ook buiten de gestelde termijn heeft de rechtbank tot op heden de gronden van beroep niet ontvangen. Het beroep is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk. Daarom zal de rechtbank de zaak zonder behandeling ter zitting afdoen als hierna vermeld. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van M.H.C. van Spreuwel, griffier, op 4 november 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.