RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02/821004-17 vonnis van de meervoudige kamer van 11 november 2021 in de strafzaak tegen [Verdachte] geboren op [Geboortedag] 1996 te [Geboorteplaats] , wonende te [Adres] raadsvrouw mr. S. van Steenberge, advocaat te Terneuzen. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 oktober 2021, waarbij de officier van justitie mr. C.F.J. Wiegant en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: 1. zich jegens meerdere bedrijven schuldig heeft gemaakt aan oplichting; 2. creditcardgegevens heeft verworven, ingevoerd, verspreid en/of voorhanden heeft gehad, met het oogmerk daarmee de in de tenlastelegging genoemde (cyber)misdrijven te plegen; 3. zich jegens [Aangever 1] , [Aangever 2] , [Aangever 3] , [Aangever 4] , [Aangever 5] en [Aangever 6] schuldig heeft gemaakt aan oplichting; 4. zich jegens [Aangever 7] , [Aangever 8] , [Aangever 9] , [Aangever 10] , [Aangever 11] [Aangever 12] en [Aangever 13] schuldig heeft gemaakt aan oplichting. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan. 4.2 Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van feit 1 verzoekt de verdediging de rechtbank goed te kijken naar het bewijsmateriaal en verdachte alleen te veroordelen voor de feiten en ten aanzien van de goederen waarvoor geen twijfel mogelijk is en welke transacties worden onderbouwd met voldoende bewijs. Daarnaast verzoekt zij de pleegperiode te verkorten. Ten aanzien van feit 2 is zij van mening dat de apps die in het dossier worden aangehaald onvoldoende zijn om tot een bewezenverklaring te komen van het onderdeel verspreiden. Ten aanzien van de overige onderdelen van dit feit refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 3 wordt verzocht te kijken welke gedragingen aan verdachte kunnen worden toegerekend. Verdachte moet in ieder geval worden vrijgesproken van strafbare gedragingen gepleegd jegens aangever [Aangever 6] Ten aanzien van feit 4 wordt verzocht per aangifte kritisch te kijken of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. In ieder geval ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van aangevers [Aangever 7] , [Aangever 9] en [Aangever 11] , zodat verdachte moet worden vrijgesproken van oplichting jegens deze aangevers. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Ten aanzien van feit 1 Gelet op de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit heeft begaan. Ten aanzien van het verweer van de verdediging over de ten laste gelegde periode is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de door verdachte gepleegde gedragingen op meerdere tijdstippen in de ten laste gelegde periode hebben plaatsgevonden. Om die reden bestaat er geen aanleiding om de bewezen verklaarde periode te beperken. Ten aanzien van feit 2 De rechtbank stelt vast dat verdachte een lijst met creditcardgegevens voorhanden heeft gehad met namen, nummers en CCV-codes. Deze gegevens zijn te kwalificeren als wachtwoorden en toegangscodes, zoals ten laste gelegd. Verder staat vast dat verdachte deze heeft gebruikt voor het plegen van oplichtingshandelingen. Het dossier bevat echter geen bewijs dat verdachte de creditcardgegevens voorhanden heeft gehad of heeft verworven met het oogmerk tot het plegen van de in de tenlastelegging genoemde misdrijven. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte vrijspreken van dit feit. Ten aanzien van feit 3 Gelet op de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank de oplichting van de aangevers [Aangever 1] , [Aangever 2] , [Aangever 3] , [Aangever 4] en [Aangever 5] wettig en overtuigend bewezen. De verklaring van verdachte dat hij niet wist dat de cadeaukaarten en toegangskaarten waren vervalst en dat hij het computerspel wel heeft opgestuurd, acht de rechtbank gelet op de frequentie en de omvang van de gedragingen ongeloofwaardig. Zijn verklaring wordt bovendien op geen enkele wijze ondersteund. Verdachte zal worden vrijgesproken van het onderdeel dat ziet op aangeefster [Aangever 6] , nu er gebruik is gemaakt van een rekeningnummer dat niet in verband is te brengen met verdachte. Ook anderszins is er onvoldoende bewijs dat verdachte hiervoor verantwoordelijk is. Ten aanzien van feit 4 [Aangever 10] , [Aangever 12] en [Aangever 13] Verdachte heeft de strafbare gedragingen jegens aangevers [Aangever 10] , [Aangever 12] en [Aangever 13] bekend. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de oplichting van deze aangevers. [Aangever 7] en [Aangever 8] Daarnaast acht de rechtbank, gelet op de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de oplichting van aangevers [Aangever 7] en [Aangever 8] De verklaring van verdachte dat hij de camera van [Aangever 7] weliswaar heeft aangeboden bij de tweedehandswinkel, maar dat hij niet de door [Aangever 7] genoemde koper is, acht de rechtbank niet aannemelijk. Daarvoor is van belang dat de camera één dag nadat [Aangever 7] de camera heeft overgedragen aan de koper, door verdachte bij de tweedehandswinkel is aangeboden. Daarbij is er sprake van eenzelfde werkwijze als bij aangever [Aangever 10] . Bovendien heeft verdachte zijn verklaring tijdens de zitting niet nader willen toelichten of onderbouwen en ook anderszins bevat het dossier geen steun voor zijn verklaring. [Aangever 9] en [Aangever 11] Verdachte zal worden vrijgesproken van het onderdeel dat ziet op aangever [Aangever 9] . Daarvoor bevat het dossier onvoldoende bewijs. Daarnaast zal verdachte worden vrijgesproken van het onderdeel dat ziet op aangeefster [Aangever 11] nu er gebruik is gemaakt van een rekeningnummer en telefoonnummer die niet in verband kunnen worden gebracht met verdachte. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1. op meer tijdstippen in de periode van 15 september 2015 t/m 26 september 2017 te Oost-Souburg en Vlissingen meermalen (telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) - [Naam 1] en - [Naam 2] en - [Naam 3] en - [Naam 4] en - [Naam 5] en - [Naam 6] en - [Naam 7] en - [Naam 8] en - een ander bedrijf (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van enig(
- e)goed(eren) en het verlenen van een of meer dienst(en), te weten - geldbedragen en - pizza’s van [Naam 4] en - hotelkamers en - beltegoeden en - goederen van de [Naam 8] en [Naam 7] , door (telkens) - gebruik te maken van (gedeeltelijk) valse namen, te weten [Naam 10] en [Naam 9] en [Naam 10] en [Naam 11] en [Naam 12] en [Verdachte] en - ( vervolgens) op het internet bestellingen te verrichten en goederen te kopen en hotelkamers te boeken en - daarbij gebruik te maken van de creditcardgegevens van de creditcards van (onbekend gebleven andere) personen, uitgegeven door [Naam 1] en [Naam 2] en [Naam 3] en - daarbij zich voor te doen als rechtmatige eigenaar/bezitter/houder van die creditcards en creditcard(gegevens); waardoor hij, verdachte, (telkens) die voornoemde bedrijven heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst en het ter beschikking stellen van gegevens; 3. op meer tijdstippen in de periode 1 januari 2015 tot en met 30 oktober 2017 te Oost-Souburg en Vlissingen en Amsterdam en Den Haag en Alkmaar en Ede en Goutum meermalen, (telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam, een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels, de navolgende personen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten 1: [Aangever 1] , tot de afgifte van 136,50 euro en 2: [Aangever 2] , tot de afgifte van 126,- euro en 3: [Aangever 3] , tot de afgifte van 30,- euro en 4: [Aangever 4] , tot de afgifte van 25 euro en 5: [Aangever 5] , tot de afgifte van 38,50 euro, door (telkens) - gebruik te maken van (gedeeltelijk) valse namen, te weten [Verdachte] en [Naam 13] en [Naam 14] en [Naam 15] en [Naam 16] en - gebruik te maken van andere woonplaatsen, te weten Vlissingen en Terneuzen en - ( vervolgens) advertenties te plaatsen op de handelssites [Naam 17] en [Naam 18] waarin een cadeaukaart en cadeaucode (voor [Naam 19] ) en valse/vervalste toegangskaarten en concertkaarten (voor de [Naam 20] en [Naam 21] ) en een computerspel (Fifa 18 voor Xbox One), te koop werden aangeboden, - met voornoemde personen via het e-mailadres [E-mailadres] contact te onderhouden en - daarbij toe te zeggen dat deze goederen na ontvangst van betaling zouden worden toegezonden en geleverd en - daarbij de bankrekeningen [Rekeningnummer 1] en/of [Rekeningnummer 2] op/door te geven, waarop de te betalen aankoopbedragen (inclusief verzendkosten) konden worden overgeboekt en gestort en over welke rekening hij, verdachte, de beschikking had en - daarbij zich voor te doen als eigenaar/bezitter en als bonafide/betrouwbare verkoper van die voornoemde aangeboden goederen en - de indruk en het vertrouwen te wekken bij voornoemde personen dat hij, verdachte, de te koop aangeboden goederen na betaling daadwerkelijk zou toezenden/leveren, dan wel echte en onvervalste toegangskaarten en concertkaarten zou leveren, waardoor hij, verdachte, (telkens) die voornoemde personen heeft bewogen tot de afgifte van voornoemde goederen; 4. op meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2018 t/m 30 juni 2019 te Goes en Stabroek en Scherpenheuvel-Zichem en Antwerpen (Borgerhout) en Gent meermalen, (telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam, een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, de navolgende personen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten 1: [Aangever 7] , tot de afgifte van een fototoestel, ter waarde van 2275 Euro en 2: [Aangever 8] , tot de afgifte van een fototoestel ter waarde van 2600 Euro en 4: [Aangever 10] , tot de afgifte van een Macbook ter waarde van 1275 Euro en 6: [Aangever 12] tot de afgifte van een Macbook Pro met toebehoren ter waarde van 1350 Euro en/ 7: [Aangever 13] tot de afgifte van een Macbook ter waarde van 2000 Euro, door (telkens) - gebruik te maken van valse namen, te weten [Naam 21] en [Naam 22] en [Naam 23] en [Naam 24] en [Naam 25] en - ( vervolgens) op advertenties gereageerd op handelssites, onder meer op tweedehands.be en [Naam 18] waarin door voornoemde personen voornoemde goederen te koop werden aangeboden en - ( vervolgens) met voornoemde personen via Whatsapp met het telefoonnummer [Telefoonnummer] contact op te nemen en - ( vervolgens) met voornoemde personen te spreken om het te koop aangeboden goed in ontvangst te nemen en - daarbij ter plaatse zich voor te doen als bonafide/betrouwbare koper van die voornoemde goederen en - de indruk en het vertrouwen te wekken bij voornoemde personen dat hij, verdachte, de te koop aangeboden goederen daadwerkelijk zou betalen en - ( vervolgens) ter plaatse te doen voorkomen alsof hij het afgesproken aankoop bedrag zou hebben betaald middels een bankoverschrijving door het tonen van een valse mobiel internetbankieren App en een screenshot van een vervalste/valse bankoverschrijving op zijn mobiele telefoon, waardoor hij, verdachte, (telkens) die voornoemde personen heeft bewogen tot de afgifte van voornoemde goederen. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft een baan, een stabiel inkomen en een kamer in Vlissingen. De door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf zal vermoedelijk grote gevolgen hebben en betekenen dat verdachte zijn baan, woning en al hetgeen hij tot nu toe heeft opgebouwd, zal kwijtraken. Daarnaast wordt verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat het oudere feiten betreffen en dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Na deze feiten is verdachte niet meer in aanraking geweest met justitie voor soortgelijke feiten. Verder is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Gelet op het voorgaande wordt verzocht aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een langere duur dan het voorarrest op te leggen. Er zou kunnen worden volstaan met het opleggen van een forse taakstraf. Eventueel zou een deels voorwaardelijke gevangenisstraf kunnen gelden als stok achter de deur. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich meerdere keren gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan oplichting, waardoor meerdere personen en bedrijven (financieel) zijn gedupeerd. Verdachte heeft hierbij misbruik gemaakt van het vertrouwen van deze personen en bedrijven en de feiten ten behoeve van financieel gewin gepleegd. Dit zijn ernstige feiten. De rechtbank houdt verder rekening met het strafblad van verdachte van 30 september 2021, waaruit blijkt dat hij eerder, te weten in 2017 is veroordeeld voor oplichting. Ook houdt zij er rekening mee dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat het gaat om oude(
- re)feiten en met het tijdsverloop in deze zaak. De rechtbank stelt vast dat het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, in deze zaak is geschonden. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had een strafvervolging in te stellen. In dit geval moet de termijn worden gerekend vanaf 19 februari 2018, te weten de datum waarop verdachte in verzekering is gesteld. De behandeling van deze zaak is niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de hierdoor genoemde termijn, terwijl de rechtbank geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht, die deze overschrijding rechtvaardigen. De redelijke termijn is met één jaar en bijna negen maanden overschreden. De rechtbank stelt vast dat verdachte inmiddels een stabiele basis heeft opgebouwd en bezig is om zijn leven te beteren. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte ingezette weg niet moet worden doorkruist. Zij zal aan verdachte de maximale taakstraf van 240 uur opleggen, met aftrek van het voorarrest. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Wel is zij van oordeel dat aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden moet worden opgelegd met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank beoogt hiermee verdachte ervan te weerhouden om opnieuw in de fout te gaan. 7De benadeelde partij Ten aanzien van feit 3 [Aangever 5] De benadeelde partij [Aangever 5] vordert een schadevergoeding van € 38,50 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aansprakelijk is voor die schade. Het gevorderde is door de benadeelde partij voldoende aannemelijk gemaakt en voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist, zodat de vordering zal worden toegewezen. Daarnaast zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen over het toegewezen bedrag vanaf 13 oktober 2017. Ten aanzien van feit 4 [Aangever 8] De benadeelde partij [Aangever 8] vordert een schadevergoeding van € 2.601,00, bestaande uit een bedrag van € 2.600,00 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 1,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aansprakelijk is voor de materiële schade. Het gevorderde is door de benadeelde partij voldoende aannemelijk gemaakt en voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist, zodat het materiële deel van de vordering zal worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente vanaf 20 september 2018. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het immateriële deel niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, nu dat deel van de vordering onvoldoende aannemelijk is gemaakt en onvoldoende is onderbouwd. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. [Aangever 11] De benadeelde partij [Aangever 11] vordert een schadevergoeding van € 2.100,00 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en een vergoeding voor de proceskosten van € 500,00. Verdachte wordt vrijgesproken van strafbare gedragingen jegens de benadeelde partij. Gelet hierop zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. [Aangever 12] De benadeelde partij [Aangever 12] vordert een schadevergoeding van € 3.435,00, bestaande uit een bedrag van € 1.435,00 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 2.000,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en een vergoeding voor de proceskosten van € 540,00. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit en dat verdachte aansprakelijk is voor die schade. Het gevorderde is door de benadeelde partij voldoende aannemelijk gemaakt en voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist, zodat de vordering ten aanzien van de materiële schade zal worden toegewezen. Daarnaast zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen over het toegewezen bedrag vanaf 27 juli 2018. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu dat deel van de vordering onvoldoende aannemelijk is gemaakt en onvoldoende is onderbouwd. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. [Aangever 13] De benadeelde partij [Aangever 13] vordert een schadevergoeding van € 2.000,00 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aansprakelijk is voor de materiële schade. Het gevorderde is door de benadeelde partij voldoende aannemelijk gemaakt en voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist, zodat de vordering zal worden toegewezen. Daarnaast zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen over het toegewezen bedrag vanaf 17 juni 2019. Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van de toegekende schadebedragen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. 8Het beslag 8.1 De verbeurdverklaring De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. Gebleken is dat de bewezenverklaarde feiten zijn begaan met behulp van deze voorwerpen. 9De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 57, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 10De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit; Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: feit 1: oplichting, meermalen gepleegd; feit 3: oplichting, meermalen gepleegd; feit 4: oplichting, meermalen gepleegd; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren; - beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van 2 (twee) uur per dag; - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar; - bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd; - stelt als algemene voorwaarde: * dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; Benadeelde partijen [Aangever 5] (feit 3) Veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Aangever 5] van € 38,50 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening; legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [Aangever 5] € 38,50 aan materiële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat bij niet betaling 1 (een) dag gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; veroordeelt verdachte in de kosten van [Aangever 5] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil. [Aangever 8] (feit 4) Veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Aangever 8] van € 2.600,- ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening; legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [Aangever 8] € 2.600,- aan materiële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat bij niet betaling 36 (zesendertig) dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; verklaart [Aangever 8] in het overige gedeelte van zijn vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij zijn vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; - veroordeelt verdachte in de kosten van [Aangever 8] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil. [Aangever 12] (feit 4) Veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Aangever 12] van € 1.435,- ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening; legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [Aangever 12] € 1.435,- aan materiële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat bij niet betaling 24 (vierentwintig) dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; verklaart [Aangever 12] in het overige gedeelte van zijn vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij zijn vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; - veroordeelt verdachte in de kosten van [Aangever 12] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil. [Aangever 13] (feit 4) Veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Aangever 13] van € 2.000,- ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [Aangever 13] € 2.000,- aan materiële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat bij niet betaling 30 (dertig) dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; veroordeelt verdachte in de kosten van [Aangever 13] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil. [Aangever 11] (feit 4) verklaart de benadeelde partij [Aangever 11] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt [Aangever 11] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil; Beslag - verklaart verbeurd de in beslag genomen voorwerpen, te weten: * 1.00 stuks mobiele telefoon (omschrijving: _423752: Samsung zwart); * 1.00 stuks mobiele telefoon (omschrijving: _423751: Samsung wit); * 1.00 stuks mobiele telefoon (omschrijving: _422119). Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.E. Mullers, voorzitter, mr. J. Bergen en mr. H. Skalonjic, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van der Ven - van de Riet, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 november 2021. Mr. Mullers is niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.