RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/10327 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2021 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (kantoor Breda), verweerder Procesverloop Eiser heeft op 10 december 2020 een e-mailbericht gezonden naar verweerder met onder andere het verzoek om toestemming voor rechtstreeks beroep bij de rechtbank. Na telefonisch onderhoud van verweerder met eiser bleek dat eiser bedoeld heeft het hele handelen van verweerder ter discussie te stellen. Verweerder heeft wat besproken is in dit telefonisch onderhoud bij brief van 15 december 2020 vastgelegd. Eiser heeft op 24 december 2020 een beroepschrift ingediend gericht tegen deze brief van verweerder. Overwegingen Omdat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is om van het beroepschrift kennis te nemen. Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Dit staat in artikel 8:1 van de Awb. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb staat uitgelegd wat onder een besluit wordt verstaan. Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het beroepschrift van eiser is gericht tegen de brief van verweerder van 15 december 2020, waarin verweerder vastlegt wat telefonisch met eiser is besproken. Naar het oordeel van de rechtbank is deze brief geen besluit. De inhoud van de brief is van informatieve aard. Het betreft geen publiekrechtelijk rechtshandeling van een bestuursorgaan en geeft publiekrechtelijk geen rechtsgevolg. De rechtbank is daarom onbevoegd om van het beroepschrift kennis te nemen. De rechtbank wijst eiser op de mogelijkheid om op grond van artikel 9:20, tweede lid, van de Awb bij de Ombudsman een klacht in te dienen over de wijze waarop een klacht intern bij een bestuursorgaan is behandeld. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart zich onbevoegd; - draagt de griffier op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser terug te storten. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van C.A.F. Kalb, griffier, op 17 december 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.