← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2021:661

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/5401 PW STER uitspraak van 18 februari 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , te [naam woonplaats] , eiser, gemachtigde: mr. I.P.M.J. Nelemans, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college. Procesverloop In het besluit van 22 november 2019 (primair besluit) heeft het college de bijstandsuitkering van eiser met ingang van 7 november 2019 gewijzigd in de norm voor gehuwden met een niet-rechthebbende partner. Omdat de maandelijkse kosten van eiser hoger zijn dan de maandelijkse inkomsten, heeft het college de uitkering op grond van artikel 18 van de Participatiewet aangevuld met een bedrag van € 91,54 per maand. In het besluit van 20 februari 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard omdat de bijstandsnorm dient te worden aangevuld met € 95,09 per maand. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 7 januari

  1. Eiser is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.W. Reijrink. Overwegingen Feiten
  2. Eiser ontving vanaf 29 juni 2015 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Vanaf 24 oktober 2019 voert eiser een gezamenlijke huishouding met zijn partner en hun twee minderjarige kinderen. Eiser heeft dit aan het college doorgegeven. Het college heeft daarop de totale maandelijkse kosten van eiser vastgesteld op € 1.246,11, waarvan € 382,20 aan kosten voor levensonderhoud. De maandelijkse inkomsten van eiser, bestaande uit de bijstandsuitkering en toeslagen, zijn vastgesteld op € 1.151,
  3. Geschil
  4. In deze zaak gaat het om de vraag of het college de bijstandsuitkering van eiser voldoende heeft afgestemd op eisers situatie per 7 november
  5. Standpunt eiser
  6. Eiser voert aan dat hij niet in staat is om met vier personen, waarvan een baby, te leven van € 382,20 per maand. De gemeente heeft niet gevraagd om een onderbouwing daarvan. Ook heeft de gemeente niet gevraagd om gegevens over de ziektekostenverzekeringspremie van zijn niet-rechthebbende partner, die wel betaald moet worden vanaf 7 december
  7. Wettelijk kader
  8. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Beoordeling 5.1 Ter zitting is gebleken dat aan eiser met ingang van 17 januari 2020 een uitkering voor gehuwden is toegekend zodat het in deze zaak gaat om de periode van 7 november 2019 tot 17 januari
  9. 5.2 Vast staat dat de partner van eiser op 7 november 2019 geen recht op bijstand had. Uit artikel 24 eerste lid onder a van de Participatiewet volgt dat eiser recht heeft op een bijstandsuitkering van 50% van de gehuwdennorm. In die situatie moet worden beoordeeld of, gelet op de individuele situatie van eiser, aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 18, eerste lid van de Participatiewet alsnog een hogere (aanvullende) bijstandsuitkering toe te kennen. Het college heeft bij die beoordeling een berekening gemaakt, waaruit blijkt dat eiser aan maandelijkse kosten (vaste lasten en levensonderhoud) meer geld kwijt is dan hij aan inkomen ontvangt wanneer de bijstandsnorm voor hem 50% bedraagt. Het college heeft op grond hiervan besloten om de norm voor hem te verhogen met € 95,
  10. 5.3 Voor de berekening van de kosten van levensonderhoud, buiten eisers vaste lasten als huur- en energiekosten, is het college uitgegaan van een bedrag van € 382,20 per maand op basis van een driepersoonshuishouden. Eiser voert aan dat hij van dat bedrag niet met vier personen kan leven en dat de kosten voor zijn jongste kind, luiers en flesvoeding, van dat bedrag niet betaald kunnen worden. De rechtbank overweegt dat nu de partner van eiser op 7 november 2019 geen recht op bijstand had, de kosten van haar levensonderhoud niet in de begroting van die kosten kunnen worden betrokken. Bovendien heeft eiser nagelaten verder inzichtelijk te maken hoe hoog de maandelijkse kosten van het levensonderhoud van hem en zijn minderjarige kinderen zijn, welk bedrag hij dan tekort komt en op welk punt dat verschilt van de berekening van het college. 5.4 Bij de berekening van de noodzakelijke maandelijkse kosten heeft het college ook rekening gehouden met de zorgverzekeringspremie van eiser. De partner van eiser had op 7 november 2019 geen recht op bijstand zodat haar zorgverzekeringspremie terecht niet is meegenomen in de berekening van de noodzakelijke maandelijkse kosten. 5.5 Gelet op wat hiervoor is overwogen gaat de rechtbank voor de vaststelling van de noodzakelijke maandelijkse kosten van eiser uit van de juistheid van de berekening van het college in de beslissing op bezwaar van 20 februari
  11. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college eisers bijstandsuitkering voldoende heeft afgestemd op zijn individuele situatie door deze aan te vullen met een bedrag van € 95,
  12. Conclusie
  13. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.J.M. Stoof, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier op 18 februari 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Bijlage Wettelijk kader Op grond van artikel 18, eerste lid van de Participatiewet stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Op grond van artikel 24, eerste lid onder a van de Participatiewet is voor gehuwden waarvan een echtgenoot geen recht op algemene bijstand heeft, voor de rechthebbende echtgenoot de norm gelijk aan 50% van de norm die voor hem zou gelden als hij gehuwd zou zijn met een rechthebbende echtgenoot van zijn leeftijd, indien de rechthebbende echtgenoot 21 jaar of ouder is en geen kostendelende medebewoners heeft.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.