RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers BRE 18/8053, 18/8054, 19/3458 en 19/3459 uitspraak van 24 december 2021 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [plaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. en de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister. De bestreden uitspraken op bezwaar De uitspraken van de inspecteur van 29 oktober 2018 op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde: - aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2015 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 865.112, alsmede de bij gelijktijdige beschikkingen opgelegde vergrijpboete van € 220.741 en in rekening gebrachte belastingrente van € 22.662 (aanslagnummer [aanslagnummer].H.56.01) (BRE 18/8053); - aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) naar een bijdrage-inkomen van € 51.976 en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 129 (aanslagnummer [aanslagnummer].W.56.01.4) (BRE 18/8054). Alsmede de uitspraken van de inspecteur van 25 juni 2019 op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde: - aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 522.570, alsmede de bij gelijktijdige beschikkingen opgelegde vergrijpboete van € 136.886 en in rekening gebrachte belastingrente van € 3.741 (aanslagnummer [aanslagnummer].H.66.01) (BRE 19/3458); - aanslag Zvw voor het jaar 2016 naar een bijdrage-inkomen van € 52.763 en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 39 (aanslagnummer [aanslagnummer].W.66.01.4) (BRE 19/3459). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2021 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigden van belanghebbende mr. A.T.P. Nefkens en mr. H.W.G. de Klein, verbonden aan Benn Advocaten te Nijmegen, en namens de inspecteur, [inspecteur 1], [inspecteur 2] en [inspecteur 3]. 1Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep met betrekking tot de aanslag Zvw 2016 ongegrond; verklaart de overige beroepen gegrond; vernietigt de uitspraken op bezwaar behalve voor zover zij betrekking hebben op de aanslag IB/PVV 2016en de daarop betrekking hebbende belastingrentebeschikkingen; vermindert de aanslag IB/PVV 2015 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 20.374 en vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig; vermindert de aanslag Zvw 2015 tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 20.374 en vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig; vernietigt de vergrijpboete bij de aanslag IB/PVV 2015; vermindert de vergrijpboete bij de aanslag IB/PVV 2016 tot € 21.901; veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade van € 1.300; veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade van € 1.200; - veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 3.039; - gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 93 aan hem vergoedt. 2Gronden Feiten 2.1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] en woonde in 2015 en 2016 aan de [adres 1] te [plaats]. Belanghebbende dreef in 2015 en 2016 een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma handelend onder de naam [naam 1]. De activiteiten van de onderneming bestonden blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel uit het repareren, slepen en poetsen van auto’s. 2.2. Bij een controle op 3 juni 2016 omstreeks 23:15 uur in [plaats] is in een sporttas, die belanghebbende tijdens de controle bij zich droeg, 22,8 kilogram cocaïne aangetroffen. Als gevolg van deze constatering heeft op 4 juni 2016 een doorzoeking van de woning van belanghebbende plaatsgevonden. Bij deze doorzoeking is 11,0 kilogram cocaïne en een geldbedrag van in totaal € 168.120 aangetroffen. 2.3. Naar aanleiding van deze vondsten is een strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende ingesteld onder de naam ‘[naam 2]’. Op 21 juli 2016 heeft de Officier van Justitie toestemming gegeven om de informatie uit het strafrechtelijk onderzoek te delen met de Belastingdienst. 2.4. Bij vonnis van 20 februari 2017 is belanghebbende door de rechtbank Oost-Brabant veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar ter zake van – kort en zakelijk weergegeven – het opzettelijk hebben vervoerd van ongeveer 22,8 kilogram cocaïne, het opzettelijk aanwezig hebben gehad van ongeveer 11,0 kilogram cocaïne, en het witwassen van een geldbedrag van € 167.120. 2.5. Belanghebbende is op 23 november 2016 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV en Zvw voor het jaar 2015. Na daartoe ook te zijn herinnerd en aangemaand, heeft belanghebbende op 1 juni 2017 een aangifte IB/PVV en Zvw voor het jaar 2015 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.374, volledig bestaande uit belastbare winst uit onderneming. 2.6. Op 23 juni 2017 heeft belanghebbende, na daartoe te zijn uitgenodigd, ook een aangifte IB/PVV en Zvw voor het jaar 2016 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.078, volledig bestaande uit belastbare winst uit onderneming. 2.7. De inspecteur is naar aanleiding van de informatie uit het strafrechtelijk onderzoek een boekenonderzoek gestart naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2015 en 2016. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in het controlerapport met dagtekening 18 september 2017. In onderdeel 6 van het controlerapport is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen: “De inkoopwaarde is door mij gesteld op € 35 per gram, zijnde de gemiddelde inkoopprijs die op dat moment in de markt gehanteerd is. Dit leidt tot de volgende berekening: - 33.800 gram X € 35 = € 1.183.000,00. De inkoopprijs in 2016 komt hierdoor op € 1.225.000,00 voor 35.000 gram cocaïne. Om deze hoeveelheid cocaïne te kunnen aanschaffen moet [belanghebbende] vóór 3 juni 2016 in bezit zijn geweest van een vermogen met een waarde van € 1.183.000. (…) In de woning werd op verschillende plaatsen grote hoeveelheden contant geld aangetroffen met een totaal bedrag van € 168.120. (…) Met behulp van de financiële gegevens van de jaren 2015 en 2016 die bekend zijn bij de Belastingdienst is een onderzoek gedaan naar ontstaan en herkomst van dit vermogen. Uit de bank- en loongegevens van de Belastingdienst is het bedrag van € 1.183.000 niet te achterhalen en ga ik er ervan uit dat dit bedrag contant ontvangen moet zijn in de jaren 2015 en 2016. De belastingdienst gaat er vanuit dat de contanten op 1 januari 2015 nihil waren en dat deze in een periode van 1 januari 2015 t/m 4 juni 2016 (afgerond 18 maanden) zijn verkregen en dat de cocaïne ook in die periode is aangekocht en dus de geldmiddelen voor aankoop van de cocaïne in die periode aanwezig waren. Dit betekent in 2015 toerekening 12/18 deel en in 2016 6/18 deel van de contanten en de waardering cocaïne (€ 35.000 per KG op basis gemiddelde drugsprijzen volgens de Applicatie Landelijke Drugsprijzen). Dat gezien de hoeveelheid van de aanwezige drugs niet kan worden gesteld dat deze drugs voorhanden waren voor eigen gebruik. (…) Uit het onderzoek is verder gebleken dat verdachte op de pleegdatum van het strafbare feit, tenaamgestelde was van het kenteken [kenteken], afgegeven voor een personenauto van het merk Mercedes typ E 350 CDI Cabriolet. Deze auto is op 20 februari 2016 gekocht van [naam 3], [adres 2] te [plaats in Duitsland] voor de somma van € 15.850. Voor de berekening van de BPM is uitgegaan van de taxatie uitgebracht door Bol Expertise & taxatiebureau te Steenbergen waarbij, rekening houdend met de geconstateerde schade ad. E 15.214, de waarde bij invoer ter berekening van de BPM is becijferd op E 4.000. De BPM over dit bedrag is becijferd op E 953. Voor de vermogensvergelijking wordt uitgegaan van het werkelijk betaald bedrag bij aankoop E 15.850 vermeerderd met 953 BPM en de becijferde reparatiekosten E 15.214 is totaal E 32.017. Jaar 2015 2016 Uitkomst vermogensvergelijking €56.009 €-31.119 Aangetroffen contanten respectievelijk €-112.080 €-56.040 Waardering 33,8 kilo cocaïne €-788.667 €-394.333 Aankoop Mercedes 350 CDI cabriolet €0 €-32.017 Beschikbaar privé negatief €-844.738 €-514.492 Inkomenscorrectie (ROW) € 844.738 € 514.492 ” 2.8. In onderdeel 8 van het controlerapport is – voor zover hier van belang – het volgend opgenomen: “Er is ten onrechte geen melding gemaakt van de (geld)middelen voor de aankoop van de aangetroffen drugs en contante gelden op de peildatum 1 januari van het jaar 2016 (…) Jaar 2016 Contanten per 1 januari € 112.080 Middelen voor aankoop drugs € 788.667 Vrijgesteld vermogen € -24.337 Vrijgesteld kasgeld € -522 Vermogen voor de berekening van het fictief rendement (4%) € 875.888 Correctie inkomen box 3 € 35.035 ” 2.9. De inspecteur heeft conform de bevindingen in het controlerapport de navolgende aanslagen en boete- en belastingrentebeschikkingen aan belanghebbende opgelegd: Jaar Soort Dagtekening Kenmerk Belasting/bijdrage Boete Rente 2015 Aanslag IB/PVV 27 oktober 2017 [aanslagnummer].H.56.01 € 441.482 € 220.741 € 22.662 2015 Aanslag Zvw 27 oktober 2017 [aanslagnummer].W.56.01.4 € 2.520 - € 129 2016 Aanslag IB/PVV 15 maart 2019 [aanslagnummer].H.66.01 € 273.772 € 136.886 € 3.741 2016 Aanslag Zvw 15 maart 2019 [aanslagnummer].W.66.01.4 € 2.901 - € 39 2.10. De inspecteur heeft de onderhavige aanslagen, boete- en belastingrentebeschikkingen bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd. Geschil 2.11. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: I. Kan de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende voor de jaren 2015 en 2016 niet de vereiste aangifte heeft gedaan? II. Heeft de inspecteur de aanslagen tot de juiste bedragen opgelegd? III. Zijn aan belanghebbende terecht vergrijpboeten opgelegd? IV. Heeft belanghebbende recht op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn? I. Vereiste aangifte 2.12. In artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is bepaald – voor zover van belang – dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (“omkering en verzwaring van de bewijslast”). 2.13. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast, waardoor de bewijslast hiervoor rust op de inspecteur. 2.14. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende in 2015 een bedrag van € 844.738 en in 2016 een bedrag van € 514.492 ten onrechte niet in zijn aangifte IB/PVV van het betreffende jaar heeft opgenomen (zie ook 2.7). Daarbij gaat de inspecteur er onder meer van uit dat belanghebbende een inkomen uit onbekende bron moet hebben genoten om de bij hem aangetroffen 33,8 kilogram cocaïne te kunnen financieren en het aangetroffen geldbedrag voorhanden te kunnen hebben. Volgens de inspecteur kunnen deze inkomsten – gelet op de hoogte ervan – niet uitsluitend in 2016 zijn verdiend. De inspecteur heeft de inkomsten daarom toegerekend aan de achttien maanden voorafgaande aan de controledatum (3 juni 2016). Verder gaat de inspecteur ervan uit dat belanghebbende in 2016 ook een inkomen uit onbekende bron moet hebben genoten om de Mercedes 350 CDI cabriolet (hierna: de Mercedes) aan te schaffen en te repareren. Bovendien stelt de inspecteur dat sprake is van bewustheid bij belanghebbende dat er inkomsten zijn die aangegeven hadden moeten worden. 2.15. Belanghebbende heeft tegenover het standpunt van de inspecteur – kort en zakelijk weergegeven – gesteld dat de cocaïne en de in zijn woning aangetroffen contanten tot een bedrag van € 167.120 niet van hem zijn, hij slechts een drugskoerier was en zijn woning fungeerde als een depot voor cocaïne en geldbedragen die door anderen naar zijn woning werden gebracht. Belanghebbende is dan ook vrijgesproken van de handel in cocaïne. Ter zake van de Mercedes heeft belanghebbende aangevoerd dat deze is gefinancierd met de geldprijs van € 66.000 die hij in 2013 in het casino heeft gewonnen. Verder is namens belanghebbende ter zitting gesteld dat de reparatiekosten van de Mercedes maximaal € 4.000 bedroegen, zodat belanghebbende ten hoogste € 19.850 aan de Mercedes heeft uitgegeven. 2.16. De rechtbank overweegt als volgt. 2.16.1. Het standpunt van de inspecteur dat belanghebbende inkomsten ter grootte van de waarde van 33,8 kilogram cocaïne heeft genoten en niet heeft aangegeven, is gebaseerd op de veronderstelling dat belanghebbende de bij hem aangetroffen cocaïne uit eigen middelen heeft gefinancierd. De inspecteur heeft echter geen andere omstandigheden aannemelijk gemaakt ter ondersteuning van deze veronderstelling, terwijl de gedingstukken ook overigens geen duidelijkheid verschaffen over belanghebbendes verdere betrokkenheid bij die cocaïne. Mede gelet op de verklaring van belanghebbende dat hij slechts fungeerde als drugskoerier en zijn woning als depot voor de drugs werd gebruikt, heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de cocaïne zelf heeft gefinancierd. De op de veronderstelling voortbordurende aanname dat belanghebbende inkomsten ter grootte van de waarde van 33,8 kilogram cocaïne uit onbekende bron moet hebben genoten om de cocaïne te kunnen financieren, is – gelet op het vorenstaande – niet aannemelijk geworden. 2.16.2. Ook aan het standpunt van de inspecteur dat belanghebbende inkomsten ter grootte van het in de woning van belanghebbende aangetroffen geldbedrag heeft genoten en niet heeft aangegeven, ligt uitsluitend een op houderschap gebaseerd vermoeden van eigendom ten grondslag. Desalniettemin acht de rechtbank aannemelijk dat het in de woning van belanghebbende aangetroffen geldbedrag aan belanghebbende toebehoorde. De door belanghebbende gegeven verklaring voor de herkomst van het geldbedrag in zijn woning acht de rechtbank niet geloofwaardig en wordt met geen enkel bewijsmiddel ondersteund. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit de gedingstukken blijkt dat in de woning in ieder geval contante geldbedragen van belanghebbende werden bewaard en het de rechtbank zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onwaarschijnlijk voorkomt dat anderen grote contante geldbedragen naar de woning van belanghebbende hebben gebracht en aan belanghebbende in depot hebben gegeven. Nu de herkomst van het geldbedrag zonder plausibele verklaring is gebleven, acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende tot dat bedrag inkomsten heeft genoten die niet zijn aangegeven. 2.16.3. De stelling van de inspecteur dat de inkomsten – gelet op de hoogte ervan – gedurende achttien maanden moeten zijn verdiend, is niet meer dan een aanname en wordt met geen enkel bewijsmiddel ondersteund. Nu het geldbedrag in 2016 in de woning van belanghebbende is aangetroffen en al hetgeen de inspecteur op dit punt heeft aangevoerd geen aanknopingspunten biedt dat belanghebbende in 2015 inkomsten heeft genoten die het aangetroffen geldbedrag kunnen verklaren, acht de rechtbank niet aannemelijk dat belanghebbende in 2015 inkomsten heeft verdiend die niet zijn aangegeven. Het voorgaande houdt in dat de inspecteur voor het jaar 2015 niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vereiste aangifte niet is gedaan. 2.16.4. Voor het jaar 2016 heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank wel aannemelijk gemaakt dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Aangezien het geldbedrag in 2016 is aangetroffen in de woning van belanghebbende en belanghebbende – zoals overwogen onder 2.16.2 – geen plausibele verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het geldbedrag, acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende tot dat bedrag inkomsten heeft genoten die niet in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 zijn aangegeven. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat uit het ontnemingsvonnis van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch blijkt dat het in beslag genomen bedrag aan contant geld gedeeltelijk niet aan belanghebbende is teruggegeven, omdat het Gerechtshof aannemelijk heeft geacht dat belanghebbende het geldbedrag uit andere strafbare feiten, eventueel (mede) begaan door anderen, wederrechtelijk heeft verkregen. Het bedrag aan volgens de aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 verschuldigde belasting is verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende zich er bewust van was dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven, gelet op de omvang van het niet aangegeven bedrag in relatie tot het aangegeven inkomen en vermogen. De omstandigheid dat belanghebbende een leek is op fiscaal gebied en zijn adviseur de aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 heeft gedaan, zoals hij nog heeft aangevoerd, doet aan dit oordeel niet af, nu niet is komen vast te staan dat de adviseur zonder belanghebbendes medeweten of instemming de aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 heeft gedaan. Het standpunt van de inspecteur met betrekking tot de Mercedes behoeft in dit verband geen verdere behandeling meer. 2.16.5. Al het voorgaande geldt dienovereenkomstig voor de aanslag Zvw voor het jaar 2016. Weliswaar gaat het bij de bijdrage-heffing in absolute zin om een lager bedrag dan bij de IB/PVV, maar de rechtbank is van oordeel dat voor de beoordeling – in het kader van de vraag of de vereiste aangifte is gedaan – of sprake is van een bijdragebedrag dat op zichzelf beschouwd aanzienlijk is, er rekening mee dient te worden gehouden dat het bij bijdragebedragen in het algemeen om lagere bedragen gaat dan bij de IB/PVV-bedragen als gevolg van het lagere tarief. II. Hoogte van de aanslagen Aanslagen IB/PVV en Zvw 2015 2.17. Het overwogene onder 2.16.3 betekent dat de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2015 naar te hoge bedragen zijn vastgesteld. De rechtbank zal de aanslag IB/PVV daarom verminderen tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.374. De aanslag Zvw zal worden verminderd tot een aanslag berekend naar een bijdrage-inkomen van € 20.374. De rechtbank zal ook de beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig verminderen. De beroepen tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2015 zijn gegrond. Aanslagen IB/PVV en Zvw 2016 2.18. Nu de rechtbank voor het jaar 2016 heeft geoordeeld dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan, is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. In dat geval moet de rechtbank beoordelen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.