← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2021:672

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/5390 WOB uitspraak van 15 februari 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], te [plaatsnaam], eiser, gemachtigde: [gemachtigde], en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, verweerder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 11 februari 2020 (bestreden besluit) van het college naar aanleiding van zijn verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Het college heeft de gedingstukken aan de rechtbank toegezonden. Het college heeft – onder verwijzing naar artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – verzocht om geheimhouding van een van die stukken. De rechtbank heeft bij beslissing van 22 april 2020 dit verzoek gehonoreerd en bepaald dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van dat stuk. Eiser heeft de rechtbank vervolgens toestemming gegeven om mede op grond van dat stuk uitspraak te doen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 5 januari

  1. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Rombouts. Overwegingen
  2. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij brief van 12 november 2019, aangevuld op 21 en 25 november 2019, heeft eiser – met een beroep op de Wob – verzocht om ontvangst van de aanstellingsbrief van gemeenteambtenaar [gemeenteambtenaar]. Bij brief van 26 november 2019 (primair besluit) heeft het college op het Wob-verzoek van eiser gereageerd. Het college heeft daarin uitgelegd dat het het Wob-verzoek van eiser heeft aangemerkt als een gewoon informatieverzoek. Het college heeft daarbij toegelicht dat het uit de brieven van eiser heeft afgeleid dat eiser wil weten wanneer [gemeenteambtenaar] bij de gemeente Oisterwijk in dienst is getreden, en dat dat is gebeurd op 1 september
  3. Het college heeft tevens aangegeven dat het meent dat de Wob niet van toepassing is op het verzoek van eiser. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en heeft daarin verzocht om de gevraagde aanstellingsbrief alsnog te verstrekken. Bij het bestreden besluit heeft het college die bezwaren gegrond verklaard en heeft het het primaire besluit herroepen. Het college heeft alsnog inhoudelijk beslist op het Wob-verzoek van eiser, waarbij het de gevraagde informatie heeft verstrekt, te weten de aanstellingsbrief van 22 juli 2019, waarbij een aantal onderdelen onleesbaar zijn gemaakt, namelijk: de letters die verwijzen naar de doopnamen van [gemeenteambtenaar]; het woonadres van [gemeenteambtenaar]; de naam van de behandelend ambtenaar die de aanstellingsbrief heeft behandeld; de doopnamen van [gemeenteambtenaar]; de functieschaal van de functie waarin [gemeenteambtenaar] is ingedeeld; de salarisschaal en de trede waarnaar [gemeenteambtenaar] wordt beloond; het salaris per maand van [gemeenteambtenaar]; de salarisschaal waarop het uurloon voor de vergoeding voor de piketdienst is gebaseerd; het urenaantal per dag van het werkrooster; de naam van de medewerker P&O.
  4. Ter zitting is met partijen vastgesteld dat het beroep van eiser is gericht tegen de bij het bestreden besluit openbaar gemaakte (geanonimiseerde) aanstellingsbrief van 22 juli
  5. In het beroepschrift zijn met betrekking tot die aanstellingsbrief drie beroepsgronden vermeld. Ter zitting is gebleken dat er, na het verweer van het college, nog één beroepsgrond resteert, namelijk de beroepsgrond die in het beroepschrift is genummerd als 2.2.: “onterecht een vrijbrief”. Uit het beroepschrift blijkt, en zo is ter zitting ook toegelicht, dat het eiser is opgevallen dat in de aanstellingsbrief een [gemeenteambtenaar] (met ‘ij’) bij de gemeente Oisterwijk is aangesteld. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat dit voor [gemeenteambtenaar] (met ‘y’) geen vrijbrief mag zijn om zich binnen de gemeente Oisterwijk als ambtenaar te presenteren. Eiser stelt daarbij dat [gemeenteambtenaar] zich vanaf 1 september 2019 onbevoegd naar inwoners presenteert als gemeenteambtenaar en dat de gemeente Oisterwijk een niet-bestaand persoon ([gemeenteambtenaar]) in dienst heeft.
  6. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn verzoek van 12 november 2019 een expliciet beroep op de Wob heeft gedaan. Het college heeft dat ook (pas in bezwaar) als verzoek om openbaarmaking op grond van de Wob in behandeling genomen. Het Wob-verzoek van eiser is daarbij toegewezen en het gevraagde stuk is door het college in geanonimiseerde vorm (op grond van artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob) aan eiser verstrekt. Aan de rechtbank ligt dus ter beoordeling voor of het college het gevraagde stuk terecht (in geanonimiseerde vorm) openbaar heeft gemaakt. Het beroep van eiser is niet gericht tegen de onleesbaar gemaakte gegevens. Eiser heeft vooral vraagtekens gesteld bij de identiteit van de aangestelde persoon. Die vragen zijn door het college op zitting beantwoord. Het college heeft toegelicht dat er één mevrouw [gemeenteambtenaar] is aangesteld bij de gemeente Oisterwijk, dat ‘[gemeenteambtenaar]’ de officiële schrijfwijze is van de naam, maar dat in de praktijk ook de andere schrijfwijze is en wordt gebruikt. De identiteit van de desbetreffende ambtenaar wordt door eiser niet echt betwijfeld, zo is ter zitting bevestigd. Eiser heeft op zitting wel aangegeven dat hij het onzorgvuldig vindt dat het college niet eerder een toelichting heeft gegeven. De rechtbank concludeert dat het college met het op geanonimiseerde wijze openbaar maken van de aanstellingsbrief van 22 juli 2019 aan het Wob-verzoek van eiser is tegemoetgekomen. Voor zover eiser met zijn beroep heeft willen betogen dat er binnen de gemeente Oisterwijk geen verschillende schrijfwijzen van de naam [gemeenteambtenaar] mogen worden gehanteerd, merkt de rechtbank op dat hij dit met deze Wob-procedure niet kan bereiken.
  7. Eiser heeft ter zitting nog gewezen op een onjuiste verwijzing in het bestreden besluit, namelijk de verwijzing naar het ‘tweede liggende streepje’ voor de gegevens van de behandeld ambtenaar. Het college heeft ter zitting bevestigd dat dit een onjuiste verwijzing betreft. De rechtbank beschouwt dit als een kennelijke verschrijving en ziet geen reden om het bestreden besluit vanwege die verschrijving te vernietigen.
  8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 15 februari 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. rechter De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak mede te ondertekenen. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. BIJLAGE Wet openbaarheid van bestuur Artikel 2: Een bestuursorgaan verstrekt bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie. Het bestuursorgaan draagt er zo veel mogelijk zorg voor dat de informatie die het overeenkomstig deze wet verstrekt, actueel, nauwkeurig en vergelijkbaar is. Artikel 3, voor zover belang: Een ieder kan een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen. […]. Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en
  9. In artikel 10, tweede lid, van de Wob, voor zover van belang: Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: […]; de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; […].

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.